is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OOTMOED —

weer verloren). — Met de verdrijving van de Portugeezen kreeg zij vasten voet inde Molukken (Ternate), en spoedig ook op Java (1619 zwaartepunt verlegd naar Batavia), waar zij, door vaak bloedige oorlogen, ook met Matarams vorsten van Djocjakarta en Soerakarta, steeds grooter gebied bezette, tot in 1777 het geheele eiland aan haar gezag onderworpen was. — Na tijden van groote welvaart, onder zeer bekwame Gouverneurs-Generaal (van wie te noemen zijn: Jan Pieterszoon Coen, Johan Maetsuijker, Cornelis Speelman, Baron van Imhoff), kwam in het midden en vooral tegen het laatst der 18e eeuw inzinking en achteruitgang, tot de Oost-Indische Compagnie, mèt de oude Republiek, ten val kwam en in 1798 werd opgeheven; de Bataafsche Republiek nam al haar bezittingen en schulden (gestegen tot 149 millioen) over.

Al stond bij de Oost-Indische Compagnie steeds de negotie vóórop, waardoor zij, met name in de Molukken, tot voor de Inlanders funeste methoden kwam (b.v. de hongitochten), toch heeft zij, vooral in haar bloeitijd, nog heel wat gedaan voor de religie, al moet ook haar vaak autocratisch handelen daarbij gegispt worden. (Zie hierover art. Molukken.)

In tegenstelling met de in de Molukken gevolgde praktijken, die heel het volksleven aantastten en neerwierpen, bleef de Oost-Indische Compagnie op Java binnen de grenzen van haar gezag, nam zij tegen de dwingelandij, oorlogzuchtigheid en hebzucht van vorsten, regenten, hoofden en „meerderen" de bevolking in bescherming (Gouverneur-Generaal van Imhoff trof heel wat maatregelen), doch met'de productie-beperking (suiker en koffie) ging zij daar voort, ook dwong zij de Inlanders tot bepaalde en voor hen schadelijke cultures (indigo, peper); vele goede aanmaningen richtte zij wel tot haar ambtenaren (onder wie er waren, die zich èn ten koste van de Inlanders èn van de OostIndische Compagnie zelf verrijkten), maar door nalaten van kracht er bij te zetten, kwam er niet veel van de bevordering van der Javanen welvaart. — Toch kan de Oost-Indische Compagnie, Vergeleken met anderer koloniale politiek, den toets in de vervulling van haar „voogdijschap" geheel en al doorstaan. Het eindoordeel van den Amerikaanschen oeconoom Clive Day luidt: „Indien wij de Oost-Indische Compagnie echter beoordeelen, niet naar Europeeschen maatstaf, maar naar de lage trap der oorspronkelijke organisatie, dan kan door dit eene feit, n.1. door deze vermeerdering der volkswelvaart ondanks de Compagnie, haar bestaan als bestuurslichaam gerechtvaardigd worden".

Afgedacht van Batavia (zetel der Indische kerk) en een paar andere voorname steden, onthield de Compagnie zich op Java van Zending onder de Mohammedaansche bevolking. [ 35.

Ootmoed, samengesteld uit het bijvoegelijk naamwoord oot d. i. gemakkelijk en het zelfstandig naamwoord moed d. i. gezindheid, beteekent de gemakkelijke, deemoedige, welwillende gezindheid; vandaar de deugd der bescheidenheid jegens onze medemenschen in het algemeen, en het gevoel van ontzag, onderdanigheid en nederigheid jegens onze meerderen.

OPENBARING 443

In de Schrift komt ootmoed (Grieksch tamivocpQoawn d.i. ootmoed, deemoed) ook voor als de deugd der bescheidenheid jegens elkander: „maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zich zeiven" (Fil. 2:3); en voorts als het gevoel van kleinheid en afhankelijkheid, vermeerderd met het besef van onwaardigheid en verwerpelijkheid vanwege de zonde jegens God: „zijt met de ootmoedigheid bekleed, want God wederstaat den hoovaardige, maar den nederige geeft Hij genade" (1 Petr. 5:5). [11.

Openbaar Onderwijs. Had tot het jaar 1801 het voorschrift van de Dordsche synode omtrent het onderwijs kracht gehad, de eerste schoolwel (die van 1801) maakte een eigenaardig, tot dusver officiéél niet bekend, onderscheid tusschen de scholen. Deze wet toch sprak van „openbare" en „bizondere" scholen. Onder de eerste worden dan verstaan, die scholen welke door den staat (of de gemeente) worden opgericht en onderhouden, onder de tweede die, welke door particulieren of door particuliere lichamen worden ingesteld en in stand gehouden. De wet van 1803 kende enkel openbare scholen, zoodat practisch onder vigeur van die wet alle kinderen openbaar onderwijs zouden hebben moeten ontvangen; de wet van 1806 evenwel liet het oprichten van bizondere scholen naast de openbare weer vrij, al geschiedde dat op zulk een wijze, dat het oprichten van bizondere scholen tot de onmogelijkheden kon behooren, door omstandigheden van plaats of tijd. Over den schoolstrijd die hierdoor ontstond, die later onder de wet van 1857 nieuwe vormen aannam, nogmaals van karakter zich wijzigde door de wet van 1878, en eindelijk in 1920 werd beslecht, voor zoover het betreft de finantiëele zijde van de zaak, zie art. Schoolstrijd.

Intusschen verstond men al dien tijd onder „Openbaar Onderwijs", voornamelijk het lager onderwijs, dat van overheidswege werd gegeven. Ook wordt gehandeld over O.L.O. (openbaar lager onderwijs) wanneer de „lagere" school bedoeld wordt. Hoewel opzichzelf die term „lager" niet juist is (zie art. Onderwas), is, gegeven eenmaal de term „lager", het spreken over O. L. O. luist, immers tenslotte is er ook Openbaar Middelbaar en Openbaar Hooger Onderwijs, voorzoover nu eenmaal Openbaar: van Overheidswege ingericht en onderhouden, beteekent. Al dit openbare onderwijs is, tot het „openbare" wegviel uit de Grondwet, „aanhoudend voorwerp van de zorg der regeering" geweest. [ 51.

Openbaring. 1. Een der kenmerkende bestanddeelen van elke religie is het geloof aan een openbaring van de Godheid, gelijk wij ook — vooral bij de religies, die haar ontstaan danken aan een ethische reformatie van een enkelen persoon of van een kring —heilige boeken aantreffen, waarin die openbaring opgeteekend en voor de volgende geslachten bewaard is. De Christelijke religie stelt eveneens voorop, dat zij haar aanzijn te danken heeft aan openbaring; maar nu aan obenbaring van den eenigen en waarachtigen God. Het is noodzakelijk het begrip „openbaring" juist te definieeren. Sinds de tweede helft der 18e eeuw toch is men het woord openbaring gaan bezigen in een geheel andere