is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

608

PREDIKER

lijks een vergadering te houden, waarop een of meer theologische of andere onderwerpen uit het christelijke en kerkelijke leven behandeld worden; b. Het steunen van uitgaven van theologische werken van leden der Vereeniging; c. Het uitgeven van een Tijdschrift; d. Het uitschrijven van prijsvragen over een theologisch onderwerp. Prof. Lindeboom, onder wiens leiding vanaf 1878 alle conferenties stonden, behield het presidium tot 1924, toen hij meende, met het oog op zijn hoogen leeftijd zich te moeten terugtrekken. Zijn opvolger was Prof. Dr F. W. Grosheide. De Vereeniging vergadert elk jaar te Utrecht, Woensdags en Donderdags na Paschen.

II. Nederlandsen-Hervormde Predikanten- Vereeniging. Vergadert jaarlijks na Paschen te Utreeht. Voorzitter: Dr J. Lammerts vanBueren; secretaris: Ds P. de Haas, Utrecht.

III. Hervormde (Gereformeerde) Predikantenvergadering. Komt samen in September. Voorzitter: Dr G. Oorthuys; secretaris: Ds J. H. F. Remme, Amsterdam.

IV. Hervormde Broederschap. (Beoogt de bevordering van eensgezindheid tusschen de predikanten der Hervormde Kerk, de versterking van het gevoel van saamhoorigheid tusschen allen, die Jezus Christus belijden als het Hoofd der gemeente.) Voorzitter: Ds G. H. Wagenaar; secretaris: Dr J. Riemens, Leiden.

V. Vereeniging van Luthersche Predikanten. (Beoogt het onderhouden van een band tusschen' de predikanten van de Evangelisch-Luthersche Kerk.) Vergadert jaarlijks op den 2den Dinsdag na Paschen. Voorzitter: Ds A. D. Wempe; secretaris: Dr H. J. Toxopeus, Breda.

VI. Luthersche Predikanten-Vereeniging. (Beoogt de Luthersche predikanten van orthodoxe richting der beide Luthersche Kerken nauwer met elkaar te verbinden.) Vergadert tweemaal per jaar. Voorzitter: Ds P. Neideck, Amsterdam; secretaris: Ds G. J. Duyvendak, Bussum.

VII. Algemeene Nederlandsche Doopsgezinde Predikanten-Vereeniging. Voorzitter: Ds Binnerts Sz.; secretaris: Ds S. H. N. Gorter, Rotterdam.

VIII. Vereeniging van Christelijke Gereformeerde Predikanten, opgericht 1919. (Beoogt den band - onder de predikanten te versterken en in het belang van elkanders wetenschappelijke en practische ontwikkeling werkzaam te zijn.) Vergadert jaarlijks Woensdags na Pinksteren. Voorzitter: Docent F. Lengkeek; secretaris: Ds L. H. v. d. Meiden te 's Gravenhage.

IX. Bond van Nederlandsche Predikanten. (Stelt zich ten doel de behartiging van al die belangen, welke betrekking hebben op de maatschappelijke en materieele positie van den Nederlandschen Predikant in zijn ambt. Verschillen tusschen kerkgenootschappen en richtingen of hun onderlinge verhoudingen doen binnen het terrein van den Bond niet ter zake.) Voorzitter: Ds Ph. J. Hoedemaker; secretaris: Ds D. Boer, 'sGravenhage. [ 20.

Prediker, de vertaling van het Hebreeuwsche Koheleth (Pred. 1 : 1, 2, 12; 7:27; 12:8,9,10), is aan de genoemde plaatsen ontleend als de naam voor het aldus bekende boek. Door de oude Joodsche en de haar volgende Christelijke traditie werd de Prediker geïdentificeerd met

Salomo, en dus het boek voor een voortbrengsel van diens pen of althans van diens geest (door middel van zijn vertrouwelingen) aangemerkt. Dat de Prediker zichzelf als Salomo bij zijn lezers zou aandienen, wordt echter ten onrechte uit plaatsen als Pred. 1 : 1, 12 afgeleid. Want, al is het ongetwijfeld de bedoeling van den schrijver de woorden zijner wijsheid in dezen vorm te geven dat zij aan den door zijn wijsheid beroemden koning van Israël worden in den mond gelegd, .het is toch eveneens onmiskenbaar dat de Prediker niet Salomo zelf is. Volstrekt beslissend is daarvoor nog niet dat hij 1 : 12 zegt: „ik was Koning over Israël te Jeruzalem", waarmede van Salomo's koningschap als iets dat tot het verleden behoort wordt gesproken; want de Hebreeuwsche werkwoordvorm dien onze Statenvertalers o. i. terecht door „ik was" hebben weergegeven zou desnoods ook als „ik 'werd" kunnen worden verstaan. Een beslissend karakter dragen echter wel de uitspraken in 1 : 16 en 2 : 7, waar de Prediker zichzelf vergelijkt met „allen die vóór hem te Jeruzalem geweest zijn", en waardoor hij dus te kennen geeft van vele koningen te Jeruzalem te weten, terwijl Salomo daar slechts één enkelen voorganger heeft gehad. Hieruit blijkt dus dat de schrijver van het boek Prediker gebruik heeft gemaakt van den iitterairen vorm, dien wij ook elders in de litteratuur heel dikwijls aantreffen, dat namelijk de auteur zichzelf identificeert met den heid van zijn geschrift.

Bevestiging vindt dit in verschillende uitlatingen van den. Prediker, die uit den mond van Salomo toch ook heel moeilijk verklaarbaar zouden zijn. De voortdurende klacht over allerlei onrecht en verdrukking, welke plaats hebben (3 : 16; 4 : 1; 5 : 7), of over de verheffing van dwazen en slaven tot hooge eerambten (10:6,7) zou uit Salomo's mond de scherpste zelf veroordeeling zijn die zich denken laat.

Ten slotte is ook de taal, waarin het boek Prediker geschreven is zóó duidelijk uit een laten tijd, dat dit boek ongetwijfeld onder de jongste der Kanonieke geschriften moet gerekend worden. Dit feit is zóó sprekend, dat door een van degenen, die nog in onzen tijd de oudere traditie Van Salomo's auteurschap hebben meenen te kunnen verdedigen, daartoe wordt aangenomen dat het boek in later tijd in jongeren taalvorm zou zijn overgebracht.-

Reeds door Luther is dan ook uitgesproken wat tegenwoordig ook door de meeste strengSchriftgeloovige verklaarders erkend wordt, dat de oude Joodsche traditie op een dwaalweg is geweest, en dat het boek Prediker op zijn vroegst . uit den tijd na Ezra en Nehemia kan dagteekenen. Met het oog op het eigenaardige taalkarakter zal het zeker nog vrij wat later moeten worden gesteld, vermoedelijk niet eerder dan tegen het midden van de vierde eeuw voor Christus, in de laatste periode van de Perzische heerschappij, waarin wantoestanden als hier geteekend worden juist zoo veelvuidig voorkwamen. Sommigen meenen op grond van enkele plaatsen tot nog vrij wat lateren tijd te moeten komen; bijvoorbeeld op grond van 9 : 13—18, waarin men eene zinspeling ziet op de belegering van Syracuse