is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RESOLUTIE — RESTITUTIE-STELSEL

725

danig dienst te doen, werd in 1894 hier te lande het reserve-kader opgericht. Aan ontwikkelde jongelieden werd gelegenheid geboden vrijwillig in dienst te treden, om tot reserve-officier te worden opgeleid. Zij waren bestemd om uitsluitend in oorlogstijd dienst te doen. In vredestijd konden zij een positie in de burgermaatschappij vervullen. Dan behoefden zij slechts op geregelde tijden enkele weken onder de wapenen te komen om hun militaire kennis te onderhouden en uit te breiden.

Aanvankelijk diende het reserve-kader ter aanvulling van het beroepskader. Thans moet het in het oorlogsleger in de lagere officiersrangen het beroepskader vervangen. Mede onder invloed der na 1920 noodzakelijk geworden bezuinigingsmaatregelen, en ook omdat het reserve-kader in den mobilisatietijd zijn geschiktheid afdoende bewezen heeft, is het beroepskader ingekrompen. De oorlogsaanvoering in de rangen van luitenant en kapitein is thans bijna geheel aan het reservekader toevertrouwd. Ook kunnen de reserveOfficieren nu den rang van majoor en luitenantkolonel bereiken.

Wijl de vrijwillige toetreding tot het reservekader onvoldoende was, kunnen volgens de wet daartoe geschikte dienstplichtigen worden gedwongen tot het volgen van een opleiding tot den rang van officier of onderofficier. Het reservekader en het dienstplichtig kader vat men samen onder den naam verlofs-kader.

Vele beroepsofficieren worden, bij ontslag uit den militairen dienst, ook tot reserve-officier benoemd. [ 52.

Resolutie (Scherpe), aldus noemde Dr Kuyper in 1875 bet schoolwetprogram der liberalen dat zijn stereotype uitdrukking vond in Kappeyne's woord op 8 December 1874 in de Tweede Kamer gesproken: „dan moet de minderheid maar onderdrukt worden". Aan de wet-Kappeyne heeft Dr Kuyper in 1878 dien naam niet gegeven, veeleer heeft hij toen uitdrukkelijk gezegd, dat Kappeyne's wet geen „scherpe resolutie" was. Kappeyne bleef echter in het spraakgebruik „de man van de Scherpe Resolutie" heeten, en zoo komt het, dat deze term later ook wel voor de wet-Kappeyne is gebruikt. [ 30.

Restauratie. Tijdperk gekenmerkt door reactie op politiek, sociaal en godsdienstig gebied, 't welk in Frankrijk gevolgd is op den val van Napoleon, en, met onderbreking van „les Cent jours" in 1815, geduurd heeft van 1814 tot 1830. De beide broeders van Lodewijk XVI, n.1. Lodewijk XVII en, na hem, Karei X hebben er in waar gemaakt het bekende woord, dat de Bourbons, ondanks de Revolutie en den Napoleontischen tijd, niets hadden geleerd en niets hadden vergeten: De driekleur weer vervangen door de witte vlag met de gouden lelies, Jezuïeten en tienden in eer hersteld, Bonapartisten, republikeinen, Protestanten geterroriseerd of geplaagd (la Terreur blanche). Onder het ministerie De Viilèle had de gelukkig volbrachte expeditie tegen Algiers en de on-populaire veldtocht in Spanje plaats. De Juli-revolutie (1830) maakte een einde aan het regiem der „Rois de france" en bracht Louis-Philippe, „roi des Francais" aan het bewind. [ 50.

Restitutie-stelsel. In een belangrijk rapport, uitgebracht in een vergadering van Christelijk-nationaal Schoolonderwijs in 1875 werd als middel ter oplossing der schoolkwestie mede genoemd het Restitutie-stelsel. Aan de rapporteerende Commissie, Dr A. Kuyper, Dr G. J. Vos Azn en Mr B. J. L. Baron de Geer van Jutfaas, werden toegevoegd Mr B. J. Gratama en Jhr Mr A. F. de Savornin Lohman, en aan dezen het mandaat gegeven, om op het uitgesproken denkbeeld van restitutie voort te bouwen en in een volgende vergadering rapport uit te brengen van hun bemoeiingen. Door het inleveren in de vergadering van 1876 van een uitgewerkt plan ter nadere adstructie van het genoemde Restitutiestelsel, werd door de Commissie aan haar opdracht voldaan. Bij Adres d.d. 17 Juli 1876 werd door de Hoofdcommissie der Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Onderwijs het laatstgenoemde rapport aan den Minister van Binnenlandsche Zaken toegezonden, met eerbiedig verzoek, „dat het Z.Ex. mocht behagen, bij de vervaardiging van het toegezegde Wetsontwerp, den inhoud van het genoemde rapport in overweging te nemen en in toepassing te brengen". Het Restitutiestelsel kwam neer op uitkeering aan de gezamenlijke bijzondere scholen van de kosten, die zij aan de gemeentebesturen uitspaarden. Bij dit stelsel werd uitgegaan van het onbetwistbare feit, dat de Overheid meer scholen en grootere scholen zou moeten oprichten, indien de bijzondere scholen er niet waren, dan nu ze er wel zijn. In steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht zou het gemeentebestuur tot niets minder dan de verdubbeling van haar beschikbare schoolruimte gehouden zijn, indien de besturen der bijzondere scholen goedvonden plotseling hun scholen op te heffen of te sluiten. Er viel derhalve niet te discuteeren over de onloochenbare daadzaak, dat de Overheid in tal van plaatsen duizenden en tienduizenden guldens meer zou hebben uit te geven, indien de bijzondere scholen niet bestonden. Iets wat men omgekeerd ook in dezen vorm kan uitdrukken, dat de bijzondere scholen door haar bestaan een som aan de gemeentekassen uitspaarden, waarvan het bedrag in juiste cijfers aanwijsbaar was. Nu meenden de voorstanders van dit restitutie-stelsel, dat de Overheid slechts een daad van billijkheid zou doen, indien ze na afloop van elk schooljaar, desverlangd, voor de gezamenlijke bijzondere scholen zulk een som gelds beschikbaar stelde, als deze scholen haar hadden uitgespaard. De kosten zouden dan nooit hooger loopen, dan die zouden loopen, indien er geen bijzondere scholen waren. De weg tot willekeur of hinderlijke bevoorrechting van de eene boven de andere bijzondere school zou door de evenredige verdeeling van de uitgespaarde som zijn afgesneden. Terwijl eindelijk elk belang voor het bijzonder onderwijs vervallen zou, om de kosten van het openbaar onderwijs laag te houden, daar opdrijving dier kosten ook voor de bijzondere scholen een evenredige verhooging van de verschuldigde restitutie met zich zou brengen. De bedenkingen tegen de uitvoerbaarheid van dit stelsel werden o.a. weerlegd in een practisch voorstel tot regeling aan-