is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

728 REUSS -

offer in twee hopen opgestapeld, daarna gingen twee priesters in het heilige, de een om de asch van het reukofferaltaar op te ruimen, en achter dezen de ander om den gouden kandelaar schoon te maken. Terwijl de asch en de doove kolen werden weggeruimd en de kandelaar in orde gemaakt, werd in den voorhof het .gedurig" offer gebracht op het brandofferaltaar. Daarop kwamen de priesters samen opdat na eenige plechtigheid aangewezen zou worden door het lot wie het dienstwerk moest verrichten. Het derde lot wees den persoon aan die het reukoffer moest brengen, wat als een bizondere eer werd beschouwd. Tot den dienst des morgens en des avonds waren onderscheidene personen noodig. Met een zilveren pan moesten gloeiende kolen van het brandofferaltaar worden gehaald, na in een gouden pan te zijn overgestort ging hij daarmede in het heilige en stortte de kolen uit op het reukofferaltaar. Opdat er niets verloren ging volgde een bevriend onderpriester den eerste om, bij geval er reukwerk viel van de schaal waarin het zich bevond, hem dat aan te geven. Bij het brengen van ! het reukwerk mocht niemand zich in het heilige bevinden, noch iemand zijn in den voorhof in de ruimte tusschen het heilige en het brandofferaltaar. Het brengen van het reukoffer gold voor de hoogste ambtsbediening van den priester. Daar ging alleen nog boven uit het brengen van het reukoffer door den Hoogepriester op den grooten verzoendag (Lev. 16). Dan nam de Hoogepriester een „wierookvat vol vurige kolen" van het altaar en ging daarmede binnen den voorhang, legde reukwerk op de kolen, „opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekke en dat hij niet sterve" (Lev. 16 : 12, 13).

Het branden van het reukwerk was ook nog een zinnebeeld van het tot den Heere opstijgend gebed (Luc. 1 : 10; Ps. 141 : 2; Openb. 5:8; 8 : 3, 4; 18 : 13; Mal. 1 : 11). Bij het oproepen van Korach en zijn medestanders beval Mozes aan Aaron om haastig het wierookvat te nemen, van het altaar vuur daarin te doen en daarop reukwerk te banden en alzoo verzoening te doen (Num. 16 : 46). Het reukwerk is mij een gruwel, zegt de Heere bij Jesaja (1 : 13). Dat bij ieder spijsoffer en bij het dagelijksch brandoffer reukwerk moest worden gevoegd wil Israël leeren dat het voege bij de gave de overgave des harten, gelijk die uitkomt in het gebed. Want het gebed is voor alles de geestelijke offerande, die Gode aangenaam is door Jezus Christus, waarmede de geloovige rechtstreeks nadert tot zijnen God (1 Petr. 2 : 5).

De reukschaal was onder de heilige gereedschappen Wel een van de voornaamste; zij was van goud; in haar werden overgestort de kolen van het brandofferaltaar genomen in een zilveren schaal.

In Ex. 30, de laatste verzen, worden de bestanddeelen waaruit het reukwerk diende te worden samengesteld genoemd en ook hoe het moest worden bereid en dat het als heilig, dit is voor den dienst van God bestemd, moest worden beschouwd; zoo is er dan ook sprake van onheilig vuur op het altaar en wordt met den dood be-

REUTER

dreigd die voor eigen gebruik dit reukwerk bereidde (Ex. 30 : 34—38; Num. 4:16; Ex. 30:9). Zoo was er dan een officiéél voor den dienst bestemd reukwerk, samengesteld uit vier elementen: mirresap (stacte), oniche (nagelen), galbonum en wierook. De rabbijnen noemen nog zeven specerijen. Josefus noemt dertien soorten van specerijen op; ook de verhoudingen werden later nauwkeurig bepaald. Ten tijde van Herodes bezat de priesterfamilie Abtinos, 't geheim der toebereiding van het reukwerk. [ 8.

Reuss (Eduard), geboren 18 Juli 1804 te Strassburg, gestorven 15 April 1891, een protestantsch theoloog, die te Strassburg studeerde, later te Göttingen, Halle en Parijs, sedert 1834 in Strassburg college's gaf, in 1836 aan het theologisch seminarie verbonden was, in 1838 als hoogleeraar aan de theologische faculteit, in 1872 als hoogleeraar aan de theologische faculteit der Universiteit van Strassburg werd benoemd.

Een man van ongeloofelijke arbeidzaamheid en schitterende gaven, ook als docent. Afkeerig van dogmatische en filosofische beschouwingen, hield bij zich als theoloog bij voorkeur bezig met studiën, die betrekking hadden op de Heilige Schrift, zoowel van het Oude als van het Nieuwe Testament. Voor het eerste was hij de voorlooper van de theorie van Graf-KuenenWelhausen, wat het Nieuwe Testament betreft stond hij op het standpunt der Duitsche theologie van het midden der 19e eeuw, en behandelde het Nieuwe Testament niet als Kanon, maar als onderdeel der oud-Christelijke litteratuur.

Grooten invloed had hij door het „theologisch gezelschap" dat hij te Strassburg stichtte in 1828, waar vele aijner leerlingen gevormd werden, en dat hij na de 2000e vergadering in 1886 sloot.

Talrijk zijn Reuss' geschriften; tientallen van jaren werkte hij mede, aan Colani's Revue de théologie et de philosophie chrétienne, bezorgde mede de uitgave van Calvijn's werken in het Corpus reformatorum.

Het meest bekend is o.a. zijn Geschichte der heiligen Schriften des Neuen Testaments, 1842, 18879, zijn Histoire de la théologie chrétienne au siècle apostolique, 1852, 18843.

Op de Fransche theologie oefende hij grooten invloed door zijn groote werk, in 16 deelen, La Bible, traduction nouvelle avec introductions et commentaires, 1874—1881.

Ook over het Oude Testament, het Jodendom, de geschiedenis der Bijbeluitlegging, de geschiedenis van den gedrukten tekst van het Grieksche Nieuwe Testament publiceerde hij werken van grooteren of kleineren omvang. Uit historisch oogpunt en voor de geschiedenis van den Bijbel zijn onderscheidene van deze werken van beteekenis. f 27.

Reuter (Frïtz), 1810—1874, een der meest bekende Duitsche schrijvers voor het volk. Tot ongeveer zijn veertigste jaar ging zijn leven onder bijzonderen druk voor hem voorbij; het ergste daarbij was wel de vestingstraf waartoe hij veroordeeld was, na opgekomen te zijn voor het ééne, vrije Duitschland. Na zijn begenadiging wilde het echter nog niet vlotten; de moed