is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

738

RICHTEREN — RICHTERS

Richteren (Boek der). Dit boek draagt zijn naam naar de Richteren, dat zijn die mannen (en eene vrouw), die in tijden, waarin Israël ten gevolge van zijn zonden onder den druk van vijanden was geraakt, als er weer boete en bekeering kwam, door God werden verwekt om zijn volk te verlossen; en wel meer bepaald gedurende de periode tusschen den dood van Jozua en het optreden van Israëls eersten koning Saul. Nu wordt echter door dezen naam eigenlijk slechts een gedeelte van het boek gedekt: de hoofdstukken 1—16 geven ons Inderdaad na een inleiding de geschiedenis van een aantal Richteren, namelijk van Othniël, Ehud, Samgar, Debora (met Barak), Gideon, Tola, Jaïr, Jefta, Ebzan, Elon, Abdon en Simson, van welke sommige vrij uitvoerig, andere slechts zeer summierlijk behandeld worden; maar de hoofdstukken 17—21 handelen niet over Richteren, al vallen de daarin vermelde gebeurtenissen wel in hét Rtelneren-tijdvak, zoodat te verstaan is dat ze als aanhangsel bij de geschiedenis der Richteren opgenomen zijn.

Als schrijver wordt door den Joodschen Talmud genoemd Samuël. Toch is het niet zeer waarschijnlijk dat deze overlevering juist is. Weliswaar kan men moeilijk zeggen dat het boek bepaalde gegevens biedt, die met het auteurschap van Samuël onvereenigbaar zijn; hoewel de herhaalde herinnering in het aanhangsel, dat er „in die dagen geen koning was In Israël" (Richt. 17 : 6; 18 : 1; 19 : 1; 21 : 25), welke blijkbaar van de waardeering van den zegen van het koningschap uitgaat, niet te best over een te brengen schijnt met Samuël's gedachte omtrent het koningschap; de verwijzing naar het tijdstip der „ontvolking van het land" (Richt. 18 : 30), waarop we hieronder nader terugkomen, behoeft niet op een periode na Samuël betrekking te hebben. Maar in hetzelfde verband waarin de Talmud Samuel als schrijver van Richteren noemt, verzekert deze eveneens dat hij de boeken Samuël geschreven heeft, die voor het grootste deel de geschiedenis lang na zijn dood bevatten, een historische ongerijmdheid, die weinig geschikt is vertrouwen te geven ook in het eerste deel der geboden mededeeling.

De Schrift zelf noemt geen enkelen naam als auteur van het boek en bevat daarvoor evenmin eenige aanwijzing. Wat den tijd betreft, waarin het vermoedelijk moet ontstaan zijn, hebben wij de volgende gegevens: in elk geval moet het hoofddeel (hfdst. 1—16) pas gedagteekend worden na het einde van de Filistijnsche overheersching, daar in Richt. 13 : 1 de duur daarvan wordt aangegeven. Nu is dat einde gekomen door en onder SamuM (1 Sam. 7 : 10—14). Voor het aanhangsel (hfdst. 17:21), moet de térmijn zeker nog iets later worden gesteld; de herhaalde herinnering dat er „in die dagen geen koning was in Israël" bewijst dat het eerst kan geschreven zijn, nadat het koningschap was tot stand gekomen. Het boek kan evenwel ook niet later zijn geschreven dan het begin van Davids regeering; immers blijkens Richt. 1 : 21 is de Zion nog niet op de Jebusieten veroverd, hetgeen David heeft gedaan.

We moeten hier even terugkomen op Richt. 18 : 30, waarvan boven reeds met een enkel

woord sprake was. Velen hebben Op grond daar- ! van gemeend dat het boek der Richteren, of ] althans het aanhangsel, niet vroeger kon ge- I schreven zijn dan na de wegvoering van de tien I stammendoordenAssyrischenkoningSalmaneser, of althans van een gedeelte der Noordelijke stam- 1 men door Tiglath-Pileser (2 Kon. 15:29). Toch I moet deze conclusie onjuist zij n, daar uit Richt. 18 : 31 blijkt, dat de gebeurtenis waarop gedoeld wordt gelijktijdig moet zijn geweest met de verwoesting van het heiligdom te Silo. Nu weten 1 wij niet wanneer deze verwoesting precies heeft 1 plaats gehad; erwordtover gesproken in Jer. 7:12, maar daaruit kunnen wij niets afleiden omtrent I het tijdstip waarop deze verwoesting is geschied. |j Het is echter wel zeker, dat aan een veel vroeger tijdstip dan de Assyrische wegvoeringen is te denken; immers alleen reeds het feit dat Jerobeam in Dan een heiligdom voor den kalverdienst oprichtte, bewijst dat het oude heiligdom der II Danieten, met het beeld van Micha, toen niet I meer bestond.

Ons resultaat kan dus geen ander zijn dan dat het boek Richteren waarschijnlijk onder de regeering van Saul, uiterlijk in den ailereersten ft aanvang van Davids koningschap is ontstaan. Of daarbij reeds van meet af het aanhangsel één | geheel heeft gevormd met het hoof ddeel is uiterst I moeilijk te zeggen. Doch het zal in ieder geval II allicht reeds heel vroeg daarmee zijn verbonden I geworden.

Dat de teboekstelling niet kan zijn geschied zonder gebruikmaking van oudere schrifturen fl zoowel als van mondelinge traditie, is vanzelf- jj sprekend, waar de inhoud over een tijdperk van I eenige eeuwen loopt De chronologie van het boek biedt eenige moeilijkheid; maar waarschijnlijk hebben wij niet alle Richters als op elkaar volgende te denken; zeker is bij voorbeeld dat de Filistijnsche en Ammonietische onderdrukking althans gedeeltelijk samenvielen (zie Richt 10 : 6, 7). Doch in elk geval is het dan toch nog een periode van zeer langen duur. Als een oud document, waarvan de schrijver heeft gebruik gemaakt teekent zich duidelijk af het lied van Debora (hoofdst. 5), dat algemeen, ook door aanhangers van de negatieve critiek, voor ij een der oudste bestanddeelen van het Oude Testament wordt gehouden. Evenwel ook andere bronnen, al worden ze niet genoemd of aangeduid, moeten hier zijn gebruikt onverwerkt. De -bronnensplitsing", die men op den Pentateuch, zoomede op het boek Jozua, heeft toegepast I heeft men ook in het boek der Richteren willen 1 voortzetten; doch de argumenten welke men daar- j voor aanvoert, zijn allerminst overtuigend [ 10. 1

Richters (= rechters) worden herhaaldelijk in het Oude Testament genoemd als de personen in wier handen althans een deel van de rechtspraak berust (b.v. Ex. 21 : 22; Deut. 1 : 16; 17 • 9; 19 : 17, 18; 25 : 2; 2 Kron. 19 : 6; jes. 1 : 26; Mich. 7 : 3). Zij worden menigmaal I naast de vorsten, ook wel naast de „oudsten" en (of) „ambtlieden" genoemd Het is niet precies I na te gaan hoever de bevoegdheid dezerrichters 1 zich uitstrekte. Zeker Is, dat in Israël niet bestond de gestrenge scheiding tusschen rechterlijke en wetgevende macht zooals wij die kennen. Althans