is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tikte hij nogmaals, en Meneer Dof, die ongeduldig werd, ging naar de deur, en deed haar open.

„Wat mot je?" vroeg hij, verwonderd een ouden vent voor zich te zien.

„Ik ben Jan Zomer, Meneer, uwes kent me wel."

„Ah zoo, ja, nu zie ik wie je bent, en wat verlangde je?"

Eenige sekonden hoorde men niets, dan het trommelen van den regen op het zinken dak — Jan Zomer was geheel en al vergeten, hoe hij zijn verzoek zou inkleeden, en zeide eindelijk plomp weg:

„Ziet uwes Meneer, ik doe nou zoo wat een negotie in pennen en potlooden, maar dat geeft niet genoeg om er van te leven, en nou was mijn vriendelijk verzoek, of er niet iets voor mij zou kunnen overschieten. Uwes moet mijn verzoek niet ten kwade duiden, want ik zou niet bij uwes komen, als ik niet zoolang bij uwes was geweest, en als ik Meneers vader niet had gekonnen."

Het dikke gezicht van Meneer Dof nam een verveelde uitdrukking aan, en de handen op zijn dikken buik leggend, zeide hij: ,,'t Spijt me, maar ik kan niets voor je doen. Ik heb al zooveel menschen, aan wie ik ondersteuning geef, dat ik je niet kan helpen."

Hij ging daarop naar zijn lessenaar, en sloeg een boek open, waarover bij zich heenboog, hopende hierdoor Jan Zomer kwijt te raken.

Deze bleef echter bij de deur staan, want ha moest nog vragen of Meneer pennen noodig had.

107