is toegevoegd aan uw favorieten.

In de verstrooiing

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat was het kamertje van haar meisjesjaren met het bed als een krib, waar ze tien jaar in had gerust, dat nu ook voor Truus diende, maar waarin Til nog paste. Truus had er andere plaatjes aan den wand geprikt. Buiten het venster was er niets veranderd. De onmiddellijke omgeving had het starre van de kleine-welgesteldheid, het schijnheilig opgeharkte van uiterlijke properheid bewaard. Regelmatig stonden er de huizen met de benepen erkers. Kil en kaal waren de gevels als gezichten zonder uitdrukking. Uiterlijk onderscheidde geen zich van de andere, maar dit woog op tegen de inwendige verdeeldheid. Daarbinnen, in die ijle vogelkooien, had elk gezin zijn toegemeten ruimte, de trap, den looper, dienstbode en keuken.

Matilde leunde het heete voorhoofd aan het glas. De grauwe benauwenis van vroeger dagen had haar weer bevangen. Deze omgeving haatte ze en tegelijk was ze een stuk van haar zelf. Dit beeld had haar, moe gezworven, gestadig voor oogen gestaan. Wel bleef het aldoor vaag, heimwee had haar eigenlijk nooit gekweld. Aan dit bestaan wist ze zich voor goed ontgroeid. Dit hield ze zich voor, als in oogenblikken van ontmoediging gemakzucht naar de oplossing-van-de-lafheid dreef. Maar die overweging van het ontgroeid-zijn hield evenmin stand. Het ware anders, als zij een gezin had gesticht, als ze moeder was. Weliswaar stootte ook gedachte aan die mogelijkheid haar af. Daarvoor deugde ze immers allerminst.

Ze wist het niet, ze had het nooit geweten. Het zwaartepunt scheen buiten haar te liggen. In haar bleef een leegte, door geen uiterlijke wisseling te vullen. Aldoor scheen ze om zich zelf te hebben heen gedraaid. Hier alleen was ze thuis.

112