is toegevoegd aan uw favorieten.

In de verstrooiing

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aldus was Til het middelpunt van deze kleine wereld, verwend en benijd. In die stemming van diep doorproefde rust ontving ze Max. Het trof haar hoe zijn Oostersche uiterlijk zich nog had verscherpt. Jappenees noemde ze hem vroeger. Dat Japansche van het ronde hoofd met den kleinen neus, scheeveoogen, omhoorndenbril,den tegelijk gretigen en versluierden blik, heel de gestalte, klein van stuk, van loome lenigheid, het jongens- en tegehjkhetoud-mannetjesachtige, de kleine handen en voeten en vooral de huidskleur, dit alles maakte hem tot den echten Oosterling.

Hij vroeg:

— En... hoe moet het verder? Als dat voorbij is... ? Zij glimlachte voor zich heen:

— Dan begint het pas. Ik hoop het kind zelf te voeden.

— Kun je hier blijven?

Afwezig keken haar oogen hem aan:

■— Je meent: de verdienste en ten opzichte van het fatsoen...? Wanda heeft gezegd, dat ik zoo lang kan blijven als ik wil. Zij gaat van den zomer op reis.

— En... de bevalling zelf... ?

— Ik ga naar een gesticht. Alles is afgesproken.

— Mag ik daarvoor zorgen ?

— Frits heeft alles geregeld.

,—> Dan versta ik me met hem. Max keek neer en zij begon weer:

— Blijf je een tijd in stad?

— In elk geval tot het met jou gebeurd is. Ik heb op de Bibliotheek te doen.

— Eerlijk, Max, ben je voor mij gekomen? —' Onder andere.

201