is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedichten uit den tijd der vroege renaissance

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunstbesef, maar dat zij de sporen zijn van een onophoudelijk worstelen met de weerbarstige taal. Hoe anders is het beeld in Holland. Toch zijn het ook hier dikwijls Zuid-Nederlanders, die de nieuwe kunst helpen maken. Maar zij zijn nu doelbewust, volhardend; zij werken met taaie inspanning. Heeft de koude nevel der lage landen hun Zuidelijken gloed getemperd en werden zij daarom minder impulsief ? Misschien ook is het eerder een toeval, dat de Vlaming Carel van Mander die Hollandsche eigenschappen vertoont. Want in hem weerspiegelt zich die langzame, gestadige ontwikkeling van rederijkerskunst naar Renaissance, waarin elke vooruitgang de bekroning is van ingespannen arbeid en de voorbereiding voor nieuwe winst. Toch is hij volslagen kunstenaar. In zijn verzen is geen beredeneerde schoonheid, maar onmiddellijke aandoening. Hij bedenkt niet zijn beelden, maar hij ziet ze. Stellig was hij belangrijker als schilder dan als dichter, maar het picturale element in zijn verzen geeft hieraan een eigenaardige bekoring. Het gedicht raakt daardoor los van de letter, van het beschreven blad; het is een brok waarneming, die in klanken en niet met kleuren wordt weergegeven. Van minder beteekenis is dan ook zijn onzekere versificatie, die niettemin soms tot een zeldzame hoogte stijgt. Maar vooral: Van Mander was een persoonlijkheid, die om zich heen een kring verzamelde, waarin de kunst met ernst werd beoefend.

13