is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedichten uit den tijd der vroege renaissance

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MED GOEDT RECHT MAGH-MEN U ALTIJDS WEL SALIGH NOEMEN.

Med goedt recht magh-men u altijds wel saligh noemen O geluckigen dach die mijn siele verfraeydt Hebt, Die seer langen ttjdt nu had' geweest ontpaeydt Gelijc de Noorden windt ver-welken doet de bloemen,

Al-soo quam met gheweldt mijn ionge ieugdt verdoemen, De droef heyd, deur den anxt die alle vreugd af-maeydt, Deur 't derven des gesichts dat van droef heydt ontlaeydt Al' die heur schoonheydt sien (dies sy heur mag beroemen).

Op desen dag quam my (o geluc-salighe ure!)

In de stadt in 'tgemoet d' Engelslijcke figure

Med een hiuke op heur hoofd, gelijc een borgers vrouwe.

Ver-blijdt, bedwelmt, verbaest nam ic heur med der handt. Heur eerbaer' wesen goedt, heur woorden, heur verstandt Verfraeyden mijnen geest, en braken mijnen rouwe.

ontpaeydt = bedroefd, ontevreden, ontlaeydt = bevrijdt, engelslijck =3 engelachtig, hiuke = buik, kap.

20