is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedichten uit den tijd der vroege renaissance

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INHOUD.

Inleiding 5—17

Jan van der Noot 19 26

En Ist de Liefde niet 19

Med goedt recht magh-men u altijds wel saligh noemen.. 20

Ode aen Olympia 21—23

Ode aen Peeter Damant 24 25

Gheluckigh is de mensch 26

Justus de Harduyn 27—29

Blind man, die onbeschaemt 27

Seght my, Schiet-vroedigh wicht 28

O Linde Loover-rijck 29

Dieryck Vplkertszoon Coornhert 30—31

Den werckman is twercx eynd een lust 30—31

Hendrik Laurensz. Spieghel 32—34

May-lied 1588 32—34

Carel van Mander 35—37

Aen constriicksten Heer H. Goltzius 35

Met een broos schip alree is aenghedreven 36

Veel kindtscher als een kindt 37

Uit „Den Nederduytschen Helicon" 38—41

Bauw-heers wei-leven 38, 41

71