is toegevoegd aan uw favorieten.

Indonesische en Indische democratie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

den panghoeloe, in dat geval dus menschen uit denzelfden familietak.

Zij zijn geen integreerend deel van het soekoe- of naganbestuur; hun advies wordt ingewonnen door het soekoehoofd, hetzij voor soekoebelangen, hetzij als lid van den nagariraad, waartoe zij ook als bijzitters op een ondergeschikte plaats worden toegelaten en waar zij alleen desgevraagd advies geven.

Hun beteekenis hangt samen met het feit, dat zij veelal een andere kampoeang, familie of djoerai vertegenwoordigen en dat zij een waarborg zijn voor de onpartijdigheid van den panghoeloe.

In de Bodi-Tjanijagostreken komen de oerang ampè dnnïn niet voor; de panghoeloe's hebben daar hun adjunct, hun toengke of penoengke, door wien zij veelal worden opgevolgd. Ook wordt vaak het advies ingewonnen van ex-panghoeloe's^ en in het algemeen van de oerang tjadie pandai — verstandige, waardige menschen1).

Een bepaald ondergeschikte positie hebben de desabestuurs-leden op Java. t

In tegenstelling met de medebestuursleden in de desa s der oude soort op Bali, zijn de desabestuursleden op Java, tezamen met het desahoofd uitmakend het desabestuur, diens helpers, adviseurs en ondergeschikten.

Voor West Java worden verschillende soorten desabestuursleden genoemd1).

In Midden- en Oost Java is de toestand regelmatiger en treft men bijna altijd een vijftal aan, m.d.v. dat elk der drie eerstgenoemde functies veelal vervuld wordt door meer dan één persoon, t.w.

de kamitoeo, petinggi = plaatsvervanger

kebajan, baoe = overbrenger van bevelen

djagabaja, kepetengan = politiedienaar

dorpsgodsdienstbeambte

dorpsschrijver').

Voor Madoera, waar de desa in de oogen der bevolking is een van gouvernementswege gecreëerd instituut, kent men blijkens mededeeling alleen den door het bestuur benoemden en uit een bestuursfonds bezoldigden schrijver en een apél, t.w.

*) Westenenk, 1918, blz. 55.

») E.R. Hl, 18%, blz. 221 cv.; Adatrecht I, 1918, blz. 710. ») E.R. III, 1896, blz. 241; en bijlagen blz. 186; Van den Berg 1901, blz. 52 e.v.