is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

OVERZICHT VAN DE GESCHIEDENIS DER VERMOGENSLEER

Bezien we thans eerst het zielsbegrip van ARISTOTELES. Hij zegt dan aangaande de ziel: ze is „vorm (tiïog) van een natuurlijk lichaam, dat naar mogelijkheid leven heeft" (de anima 412 a 19).

Met natuurlijk lichaam wordt bedoeld natuurproduct in tegenstelling met kunstproduct, door menschen gemaakt voorwerp.

Met vorm wordt niet bedoeld de uitwendige gestalte. Vorm staat hier, volgens ARISTOTELES doorgaande beschouwing der werkelijkheid, tegenover stof. Bij alle dingen bedoelt hij met den vorm het kenmerkende, de idee der dingen, datgene waardoor wij van een bepaald ding spreken, datgene waardoor een ding is wat het is, het eigenlijke, wezenlijke van het ding, het begrip van het ding. In deze beteekenis is de vorm van een huis: zijn karakter als beschutting tegen weer en wind — in tegenstelling tot de stof: steenen en hout De vorm van een bijl is zijn geschiktheid tot hakken — in tegenstelling tot zijn stof: hout en ijzer. De vorm van het oog is het gezicht, de geschiktheid tot zien, de stof van het oog zijn de vliezen en vochten.

Als dus de ziel genoemd wordt de vorm van (het) lichaam, dan moeten we voorloopig de gedachte laten varen aan een afzonderlijk wezen, dat in het lichaam huist en op zichzelf bestaan kan. De ziel is de idee, het karakteristieke van het levende lichaam. En dat karakteristieke openbaart zich in de functies van beweging en waarneming, ja het is feitelijk dat zich-bewegen en dat waarnemen. Het begrip van het levende wezen is: een wezen te zijn, dat eigen beweging bezit en waarneemt (tenminste bij de hoogere vormen). Het kenmerkende in dit begrip is de ziel.

Walmeer een bijl, zegt ARISTOTELES, een organisme was, dan zou het „bijlwezen" (d.w.z. het kunnen-hakken) de ziel daarvan zijn; was 't oog een afzonderlijk levend wezen, dan zou het gezicht zijn ziel zijn. Het oog, zooals wij dat waarnemen is de stof van het gezicht; ontbrak het gezicht, dan was 't geen oog meer, behalve in naam.

Daarom zegt dan ook JULIUS DE BOER, met instemming over deze beschouwing van ARISTOTELES sprekend: „De ziel is dus geen „ding", zooals men nu nog dikwijls meent, maar de eenheid aller organische functies". *) En HlCKS drukt het zóó uit: „Ziel en lichaam dus zijn niet twee verschillende dingen, ze zijn één ding, dat twee verschillende gezichtspunten oplevert')

') ARISTOTELES, bl. 35.

2) ARISTOTLE, De Anima, 1907. Introd. XXIV,