is toegevoegd aan uw favorieten.

De leer der zielsvermogens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aristoteles

29

te prijzen. Het mechanisme voldoet steeds minder. Maar men bedenke wel wat de eigenlijke inhoud van aristoteles' zielsbegrip is. De entelechie van aristoteles is niet anders dan de gehypostaseerde begripskenmerken. *) Het wezen van een ding is iets dat wij daaraan opmerken, en dat we zoo belangrijk vinden, dat we achten, dat het daarom bestaat. Maar steeds bestaat dat belangrijke in bepaalde kenmerken: hoedanigheden of werkingen. Men make hiervan geen werkers. Dit doet Aristoteles.

Hieraan verandert niets het feit, dat aristoteles het karakteristieke (rö tI ijv tlvai) der dingen substantie (p&ot«) noemt Het bewijst alleen te meer het verdinglijken der begrippen. Een eigenschap wordt geen substantie door ze alzoo te noemen. Als de ziel substantie is, behoort ze niet in gezelschap van het bijl-zijn van den bijl en het gezicht van het oog. 'tstó*

10. We komen nu tot een nadere beschouwing der vermogens. Als we zeggen, dat iemand het vermogen bezit dit te doen of dat te doen, bedoelen we, dat hij die werkzaamheden kan verrichten. Dit is het zuiver formeele vermogensbegrip. Maar we bedoelen er in den regel iets meer mee, n.1. dat in dien persoon iets is, wat dan ook, dat hem in staat stelt de handeling te verrichten, dat de grond is van zijn werken. Dit is het vermogensbegrip naar materieele zijde. We vinden dit ook bij Aristoteles. Hij noemt een vermogen (Sévaius): „een beginsel van beweging of verandering", dm iets, waaruit die beweging of verandering voortkomt, de grond der werkzaamheid.

Men ziet, hoe voorzichtig dit is uitgedrukt: het vermogen is een beginsel, er komt iets uit voort; wat het verder is, wordt hiermee geheel onbepaald gelaten. Het is — men lette hier wel op — een begrip door middel van een relatie. A is het beginsel van B. Nu weet ik van A opzichzelf nog niets, dan in welke relatie het tot B staat Bijv.: het kenvermogen is het beginsel van het kennen. Het kennen is hier het bekende verschijnsel, het kenvermogen wordt alleen in. zooverre bepaald, dat het 't beginsel van het kennen wordt genoemd. Verder weet ik er nog niets van.

Bleef aristoteles nu hierbij staan, dan zou niet meer zijn op

') Dit wil niet zeggen, dat Aristoteles zich hiervan bewust was. Integendeel wil hij scherp onderscheid maken tusschen ovaia en nov&», nooór enz. Alleen maar, tot meer dan postuleeren van dit onderscheid komt hij niet. Practisch wordt het genegeerd.