is toegevoegd aan uw favorieten.

Overzicht van de internationaalrechtelijke betrekkingen van Nederlandsch-Indië (1850-1922)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44

BESTUUR.

Geval No. 119.

GÉVAL No. 119.

1887/88. Briefwisseling tusschen de Ned. en de Amerikaansche Regeering betreffende den schuttersplicht in Ned. Indië. De heer E. R. Connell, burger der Vereenigde Staten van NoordAmerika, tijdelijk verblijf houdende, doch volgens zh'n beweren niet „domieiled", te Batavia als agent van een Amerikaansch handels^ huis beklaagde zich bij den consul zjjner natie, den heer Hatfield, over den hem opgelegden schuttersplicht. Zooals uit de Engelsche bladen uit die dagen blijken kan, heerschte er speciaal onder de Engelsch sprekende ingezetenen van Ned. Indië ontevredenheid over dien dienstplicht. Behalve het ongerief, in de namiddaguren de zaken in den steek te moeten laten werd geklaagd over kleingeestige behandeling, het malle costume, het gezelschap waarin men verkeerde, „90 % Eurasians, many of whom are much darker than pucka natives" en vooral over het doellooze der geheele instelling, wijl geen opstanden der bevolking te vreezen waren en men dit leger steeds bij de hand had. De heer Connell betwijfelt in de eerste plaats of hij wel ingezetene is en voelt zich voorts in de uitoefening zjjner beroepsbezigheden belemmerd door de verplichte deelname aan de oefeningen.

De consul bracht de zaak voor bjj het Department of State, dat vervolgens den Amerikaanschen Gezant in Den Haag opdroeg zich met onzen Minister van Buitenlandsche Zaken in verbinding te stellen, erop wijzende dat het een belang voor beide Staten was dat de agenten van handelshuizen in Batavia al hun tjjd aan de hun toevertrouwde zaken konden geven. De Gezant verzocht dat de koloniale autoriteiten den heer Connell van zijne militaire verplichtingen zullen ontheffen en hem zekerheid geven ten aanzien van zijne toekomstige positie.

Ten antwoord werd hem een uitvoerig rapport van den commandant der Bataviasche schutterij overgelegd, blijkens hetwelk de heer Connell krachtens I. S. 1838 : 22 evenals alle Ned. en buitenlandsche ingezetenen schutterplichtig was. Zh'n ingezetenschap was boven twjjfel verheven, daar hem bh' Gouv. Besl. van 12 November 1886 No. 10 verlof tot vestiging in Ned. Indië was verleend. Ontkend werd, dat de schuttersplicht eene belemmering vormde voor de waarneming zjjner beroepsbezigheden.

Hiervan wederom langs den diplomatieken weg in kennis gesteld, wenschte Connell te vernemen, of die plaatselijke Bataviasche wet wel in overeenstemming was met het internationaal gebruik. Immers, vreemdelingen die tijdelijk in een land vertoeven zh'n naar internationaal recht niet onderworpen aan den permanenten krijgsdienst van dat land, en alleen in geval van nood kunnen politioneele en verdedigingsdiensten van hen worden gevorderd. Connell beweerde dat