is toegevoegd aan uw favorieten.

Overzicht van de internationaalrechtelijke betrekkingen van Nederlandsch-Indië (1850-1922)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

BESTUUR.

Gevallen No. 252 en 253.

GEVAL No. 252.

1916. Optreden van Consuls der Geallieerden.

In 1916 werd in Indische bladen critiek geoefend op de houding, door sommige consulaire ambtenaren van geallieerde mogendheden, met name van de Fransche, Engelsche en Belgische Consuls te Batavia tegenover Duitsche ingezetenen van Ned. Ind. aangenomen, en die zou hebben bestaan niet alleen in een beïnvloeden van de handelshuizen hunner nationaliteit, doch ook van Nederlandsche handelshuizen en instellingen, teneinde die te nopen de bij hen in dienstbetrekking zijnde Duitschers te ontslaan. Gepleit werd voor het richten van vertoogen tot de betrokken Regeeringen, opdat door de consuls eene houding worde aangenomen meer in overeenstemming met de positie van onzijdigheid waarin Ned. Indië verkeerde.

Meer dan het bovenstaande is mij hiervan niet bekend geworden, t G. 1916, I, bl. 789. (Overzicht v. e. brief van Mr. Thomas in het Bat. Nwsbl. v. 26 Februari 1916).

GEVAL No. 253.

1917. Geval-Minami.

In 1917 werd de Japansche redacteur van het dagblad „Pertimbangan", Minami, wegens een persdelict door den Raad van Justitie te Batavia tot .één jaar gevangenis veroordeeld. Hjj en evenzeer de Japansche consul-generaal te Batavia achtten dit vonnis onrechtvaardig en de laatste schijnt over deze aangelegenheid eene audiëntie bh' den Gouverneur-Generaal te hebben aangevraagd en verkregen.

Wat bij dit «onderhoud is verhandeld blijkt niet, wel echter dat M. na afloop niet een verzoek om appèl — waarvoor de termijn inmiddels wellicht reeds was verstreken — doch een gratierequest indiende, hetwelk vervolgens is afgewezen.

Deze zaak, hoe onbeduidend op zichzelf, heeft in de Chineesche en inlandsche pers dier dagen veel stof tot beschouwingen geleverd, waarin het niet ontbreekt aan verondersteüingen betreffende de gevoerde bespreking met den Landvoogd, die echter grootendeels door de feiten worden tegengesproken.

Blijkens de Chineesche pers werd die beweerde interventie van den Jap. Consul met leede oogen aangezien. Is het feit juist medegedeeld, dan heeft men te doen met eene niet voortgezette consulaire bescherming, van weinig gewicht, doch teekenend voor het optreden van eene jonge, zich bewuste groote mogendheid.

I. G. 1917, I, bl. 701, en de genoemde Chin. en inl. bladen: Sin Po, Pertimbangan, Warna Warta, Djawa Tengah, aldaar aangehaald.