is toegevoegd aan uw favorieten.

Overzicht van de internationaalrechtelijke betrekkingen van Nederlandsch-Indië (1850-1922)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

115

POLITIE.

Gevallen No. 291, 292 en 293.

Ned. Indische Regeering hij de Spaansche autoriteiten te Manila ingediende reclame, als repressieve bescherming onder „bestuur" kan worden begrepen, kan men evenzeer het licht laten vallen op de daarop volgende actie van den Sultan van Magindanao, bestaande in het opvatten van twee der moordenaars en het uitzenden van een gewapende flottielje om de gevangenen te verlossen, en aldus in het geval een voorbeeld van internationale pobtie-uitoefening zien.

GEVAL No. 292.

1883/84. Het Kol. Versl. deelt mede, dat „in het afgeloopen jaar" op ons verzoek door het Straitsbestuur werden uitgeleverd een Europeaan tegen wien rechtsingang met bevel tot gevangenneming was verleend, en drie Chineezen die van roof waren beschuldigd. Onzerzijds werd aan de Straitsregeering uitgeleverd een van misbruik van vertrouwen beschuldigde Chinees.

Daar de data dezer uitleveringsgevallen niet vaststaan, is niet te zeggen of het laatstvermeld feit al dan niet bestreken werd onder de bh" Kon. Besl. van 8 Mei 1883, No. 26 (I. S. 1883 : 188) tot stand gekomen uitleveringsordonnantie. De gevallen geven overigens, daar zij niet afwijken van de tot dusver in het verkeer met de Straits gevolgde practijk, geene aanleiding tot opmerkingen.

Hetzelfde geldt voor de in Kol. Versl. van 1885 gerapporteerde uitleveringen door het Straitsbestuur aan de Ind. Regeering, en omgekeerd, van meerdere delinquenten of verdachten, hoewel deze serie hoogstwaarschijnlijk wat de Indische betreft, onder vigueur der nieuwe Ordonnantie heeft plaats gehad.

Kol. Versl. 1884, bl. 56; 1885, bl. 55.

GEVAL No. 293.

1884/85. Aan drie Italiaansche orgeldraaiers en een Pers werd door den Gouverneur-Generaal vergunning tot vestiging geweigerd, op grond dat zh' geen voldoende middelen van bestaan hadden en niet konden aantoonen die door werkzaamheid te kunnen verkrijgen. Ten aanzien der drie Italianen werd begin 1885 op deze weigering teruggekomen, nadat het tegendeel was gebleken.

Daar zh' vergunning tot vestiging (art. 105 Reg. Regl.) aanvroegen, moet worden aangenomen, dat zij reeds in het bezit waren eener toelatingskaart, immers deze moet bh' de aanvraag tot vestiging worden overgelegd. Na de weigering waren zh' derhalve blootgesteld geweest aan uitzetting, welke echter door de nadere beslissing der Regeering is voorkomen. Herinnerd wordt dat ten tijde van het gerapporteerde voorval de oude toelatingsbepalingen nog van kracht waren (I. S. 1872 : 38 en 1881 : 226) welke thans voor Java en Madoera zh'n vervangen door I. S. 1911 : 138 en 1912 : 10.