is toegevoegd aan uw favorieten.

Overzicht van de internationaalrechtelijke betrekkingen van Nederlandsch-Indië (1850-1922)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

188

B. TWEE- OF MEERZIJDIGE REGELING.

Geval No. 457.

1877 (Bijblad 3190) vastgesteld dat de consul voortaan slechts onder zijne bescherming had te nemen die Vreemde Oosterlingen die blijkens de daarvan op hunnen reispas gehouden aanteekening geboren waren in N. I. en aldaar gedurende de zes aan de aanvrage van den pas laatst voorafgegane jaren waren gevestigd geweest. In verband met deze regeling moesten de aan Vr. O. in I. uit te reiken reispassen voortaan de noodige aanteekeningen bevatten omtrent de afkomst en den duur van het verblijf der belanghebbenden in N. I. Omtrent den staat van hen die bij aankomst in Siam van geen reispas waren voorzien of op wier reispas de noodige aanteekeningen ontbraken, zou de consul, evenals tot dusver, zich in elk voorkomend geval bij de Ind. Reg. kunnen vergewissen.

In de negentiger jaren rees de vraag of en in hoever er voor de Ind. Reg. aanleiding bestond om wijziging in deze criteria te brengen. De inmiddels totstandgekomen wet op het Nederlanderschap van 1892 toch bepaalde, dat alle niet-Nederlanders, in een onzer drie koloniën uit aldaar gevestigde ouders geboren, niet-uitleverbare personen waren, (in onze uitleveringstractaten als Ned. onderdanen aangeduid) terwijl zij anderzijds in art. 12 bepaalde dat alle nietNederlanders vreemdelingen waren. Enkele Ned. schrijvers en buitenlandsche Regeeringen legden dit uit als sloot dat de 40 millioen niet-Nederlanders der koloniën van alle onderdaanschap uit. Theoretisch was er geen moeilijkheid daar art. 9 der cons. wet van 1871 toeliet in de groep der z.g. geadministreerden ook Vr. O. uit Indië op te nemen, doch practisch gaf dit bezwaar in Siam. Het ging dus om de uitlegging die in Siam aan de wet van 1892 gegeven werd, terwjjl de wettigheid der regeling van bijbl. 3190 door onzen consulgeneraal in Bangkok meer en meer werd in twijfel getrokken.

De oud-Ind. landsdienaar Mr. W. K. baron van Dedem, aan wien door de Ned. Reg. was opgedragen hieromtrent in overleg te treden met onzen cons.-gen. te Bangkok overleed op reis naar Siam te Calcutta, waarop de opdracht in den aanvang van 1896 werd gegeven aan den toen naar Indië met verlof terugkeerend rechter! hoofdambtenaar, 1.1. raadsheer in het Hooggerechtshof v. N. I., Mr. J. H. Abendanon. Deze kweet zich in Maart en April 1896 van zh'ne taak, en na ontvangst van diens rapport zocht de Ind. Reg. naar een met Siam te treffen modus vivendi. De Ned. Reg. wenschte slechts eene regeling op voorloopigen voet in verband met de aldaar in voorbereiding zijnde algemeene regeling van het Ned. onderdaanschap. De gevonden modus is vervolgens neergelegd in G. B. van 10 Oct. 1903, No. 5, bijblad 5909, waarbij de regeling van bijblad 3190 werd ingetrokken. Door de Siameesche Reg. werden voortaan, behalve de Nederlanders in den zin der wet van 1892 en de in N. I. uit aldaar' gevestigde ouders geboren met-vreemdelingen, ook als Ned. ond. aangemerkt en dus voor registratie toegelaten enkele