is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boek der duizend vragen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

Geest, wat die is. Dan, wanneer hij u dat heeft medegedeeld, zoo volgt hem, want dan is hij een Profeet, maar, indien hij 't niet doet, zoo is hij een man die praatjes maakt; doet dan in zijne zaak wat u goeddunkt""1).

Den afloop van dit verhaal, dat Nöldeke-Schwally als „höchst fabelhaft" hebben gekenschetst2), kunnen wij hier laten rusten; het spreekt vanzelf, dat Mohammed ten slotte de drie vragen beantwoorden kan, waarvan nog Kor. 18 (Süral al Kahf, het hoofdstuk der Zeven Slapers en van Dhü 'l Karnain) en Kor. 17 v. 87 (het vers van den Rüh) getuigen. Hoofdzaak is voor ons, dat Mohammed hier wederom drie vragen moet beantwoorden, en dat van de oplossing zijne erkenning als Profeet afhangt.

In een ander verhaal zijn het eenige Joodsche Schriftgeleerden, die zelf tot Mohammed komen en zeggen: „O Mohammed, deel ons vier dingen mede, die wij u zullen vragen; als gij 't doet, zullen wij u volgen, zullen wij aannemen, dat gij de waarheid spreekt, zullen wij in u gelooven". Nadat de Profeet hen aan hun eigen voorwaarde gebonden heeft, geeft hij hun verlof, de vragen te stellen. En nu volgen bij Ibn Hisham de vier vragen, met uitvoerig geredigeerde antwoorden, die de Joden telkens met een krachtig ji bevestigen. De vragen luiden: t. Hoe gelijkt een kind op zijne moeder, terwijl toch het zaad is van den man? 2. Hoe is uw slaap? 3. Wat heeft Israël voor zich zelf haram verklaard ? 4. Wat is de Geest ?3) Wederom kunnen wij ter zijde laten, in hoeverre deze vragen bedacht zijn naar aanleiding van Koranplaatsen 4); de gedachte is weder dezelfde: uit de oplossing van moeilijke vragen blijkt het Profeetschap.

In dit verband is het misschien van beteekenis, erop te wijzen, dat in enkele tradities geen gewoon sterveling, maar een Engel, Djibrïl, de beslissende vragen stelt *). Schemert hier wellicht nog de oude opvatting door, dat eene hoogere macht den initiandus behoort te ondervragen?

Het was ook Djibrïl, die, volgens den Perzischen Tabari, aan

1) Ibn Hisham I \\\, 2) Nöldeke-Schwally, Geick. d. Qorans, I 139.

3) Ibn Hisham I tY° .

4) Dit geldt met name voor 3 en 4, vgl. Kor. 3 v. 87, 17 V. 87, 2 v. 91.

5) Al Bukh., Kit. al Iman, B. 37; Muslim, Kit. al Iman, B. I, 5, 6, 7.