is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58

intelligente bevolking, die ook wat haar rechtsinstellingen betreft een.vooraanstaande plaats inneemt onder de Indonesiërs1); elk spoor van zelfbestuur moest verdwijnen. In 1882 werd in Boelèlèng en Djambrana rechtstreeksch bestuur ingevoerd, in 1908 geschiedde hetzelfde in Badoeog en Tabanan, in 1910 in Kloengkoeng, van welke drie landschappen de vorstenfamilies in een poepoetan bijna geheel vernietigd werden, terwijl eenige overgebleven vorstentelgen naar Lombok in ballingschap gezonden werden. Het rijkje Mengwi gaf ons geen last, want dat hadden de vorsten van Badoeng, Tabanan, Gijanjar en Kloengkoeng in 1891 reeds verdeeld. In het jaar, volgend op de Lombokexpeditie van 1894 was Karangasem, voordien een overwalsche provincie vau Lombok, gouvernementslandschap geworden. Gijanjar werd dat op eigen verzoek in 1901 en Bangli op gelijke wijze in 1909. Deze drie gouvernementslandschappen vertoonden dus deze staatsrechtelijke figuur, dat hun territoir behoorde tot het gouvernementsgebied, doch de vroegere radja's er, nu als stedehouders van het gouvernement behouden bleven en het inheemsch bestel er in hoofdzaak werd gelaten3). Ofschoon deze drie stedehoudersschappen het voordeel hadden van de vroegere misbruiken van Balische zelfbestuurders onmogelijk te kunnen maken, met behoud van de vlotte bestuursvoering, welke de zelfbesturende landschappen voor hebben op die van het gouvernementsgebied, werd met een beroep op het „halfslachtig" karakter dezer gouvernementslandschappen, eerst overgegaan tot volledige inlijving van Bangli en Gijanjar (1 November 1917) en eenige jaren later, nu mede met een beroep op eischen van billijkheid tegenover deze beide, ook tot annexatie van Karangasem8) (1921). In het laatste ressort werd echter tegelijkertijd op den voet van de decentralisatiewetgeving een Karangasemraad in het leven geroepen (Stsbld. 1921 No. 758).

Het ware o.i. beter geweest en het had zeker meer in de lnn van onze zelfbestuurspolitiek gelegen indien aan de gouvernementslandschappen hun halfslachtig karakter was ontnomen door ze weer zelfbesturen te maken, met eene korte verklaring (de gebruikelijke drie artikelen) aangevuld met een vierde artikel, dat ons tot inlijving bevoegd verklaart.

De taak, welke volgens Liefrinck aanvankelijk voor de Balische vorsten was weggelegd, bestond uit een arbitrale functie bij oneenigheden tusschen de désa's. Wisten zij in zulke geschillen tactvol en rechtvaardig te werk te gaan, dan nam hun aanzien toe en kwam daar dan nog bij dat zij met kracht de belangen verdedigden van degenen die hun bescherming hadden ingeroepen

§ Van Vollenhoven Adatrecht blz. 143—144. ') Van Vollenhoven Adatrecht blz. 41—42.

*) Uitvoerig is deze lijdensgescheidenis beschreven in: Damsté bestuursproblemen blz. 114 en vgl.