is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

204

jegens den vorst of het algemeen belang verdienstelijk hadden gemaakt, waaronder ook te rekenen handwerkslieden, die kunstvoorwerpen ten behoeve van de landsofferfeesten levérden x) en ten slotte gronden van soebaks, voorzoover zij gebruikt werden voor godsdienstige doeleinden 2).

In het algemeen achtte de vorst het beneden zich van de gegadon een deel als belasting te innen; die tweede rijstaanplant noemde men soedra8), hetgeen in het algemeen een term voor inferieure personen of zaken is. Echter wordt, teneinde uitputting van den grond te voorkomen, in de sima van Boelèlèng bepaald, dat ingeval in één soebak op meer dan 5 tenah een tweede aanplant van padi wordt verkregen, opnieuw belasting verschuldigd is4). Werd een sawah beplant met een gewas, dat ongeveer een jaar noodig had om tot vollen wasdom te komen, dan wel met suikerriet, dan was de volle padjeg verschuldigd6). Van Balische saffraan (kasoemba) als tweede gewas moest plaatselijk van eiken oogst één pluk aan den vorst worden geleverd ter voorziening in de behoeften van de poeri 8).

Op de soebakvereenigingen rustten geene verplichtingen voor de richtige betaling van de padjeg door de leden. Bij nalatigheid de belasting op den aangegeven datum te voldoen, moest binnen drie dagen het dubbele van den aanslag voldaan zijn: was dit niet geschied, dan werd de sawah van den nalatige, voorzien van een verbodsteeken (sawèn) en was binnen 10 dagen daarna die verdubbelde belasting vermeerderd met 2500 duiten boete en 250 duiten voor het terugnemen van het verbodsteeken (pengaboet sawèn) niet voldaan, dan werd die grond voor minstens één oogst voor het totaal verschuldigde bedrag verpand. Was er geen gegadigde te vinden, dan werd de sawah den vorst aangeboden, hetgeen mede geschiedde, wanneer de wanbetaler verzet pleegde7).

De soewinih was eene recognitie, verschuldigd voor het gebruik van het vloeiwater, waarop de souverein recht pretendeerde te hebben. Een andere naam er voor is oepetin toja, eveneens beteekenend „recognitie voor het water". De grondslag van deze be-

*) Kertasima blz. 222.

*) Liefrinck rijstcultuur, 1887, blz. 888—384. •) Liefrinck rijstcultuur, 1887, blz. 543.

•) Kertasima blz. 242 en Soebak-verordeningen blz. 313. ») Kertasima blz. 221.

•) Kertasima blz. 221, Liefrinck rijstcultuur, 1887, blz. 544 en Soebak-verordeningen blz. 314.

T) Deze gang van zaken bij wanbetaling vindt mén schier overal anders opgegeven, zoo ontbreekt vaak de eerste respijttermijn van drie dagen, voor de overige kleine verschillen zij verwezen naar Kertasima blz. 241 en Soebak-verordeningen blz. 812 en 823.