is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

256

van de waarde in geschil of van de boete iets te betalen, de kosten van den eed dragen beiden tezamen1).

Zijn er getuigen aan ééne zijde, dan wint die partij de zaak, indien zijne getuigen den eed zweren. Ingeval aan beide zijden getuigen aanwezig zijn (als hoedanig alle mondigen i.h.a. kunnen dienst doen), is er noch bij de volksrechtspraak noch bij die der vorsten kwestie van, dat degeen, die de meeste getuigen heeft, wint2), zooals Liefrinck terecht opmerkt3).

Getuigen zijn, volgens de Balische opvattingen, tevens partijtrekkenden; zij staan hunne partij met man en macht ter terechtzitting bij. Onbegrijpelijk is het voor den Baliër als getuige beëedigd te worden, terwijl de partij, voor wie hij getuigde, in het ongelijk wordt gesteld en toch komt zulks, wellicht door te willig gevolgd advies van den Europeeschen voorzitter, bij de raden van kerta's meermalen voor. Eedweigering is daarvan natuurlijk het gevolg, de getuige meent in zoo'n geval, dat uit zijne getuigenis iets ten nadeele van dengeen, voor wien hij opkwam, is gehaald.

Het is niet te zeggen van vooraf, welke partij beëedigd wordt, indien aan weerszijden getuigen te vinden zijn, aangezien de reputatie der gedingvoerenden en der getuigen evenzoovele factoren zijn bij de vaststelling van de uitspraak. Meestal wordt de sterkste partij beëedigd (tjor anéh), waaruit men zou mogen besluiten, dat in den eed een aanvullend bewijs gezien wordt ). Worden beide partijen even sterk geacht, dan hebben beide rten eed af te leggen en is de zaak pijak of sapih. Zweren beide partijen, dan spreekt men van madéwagama.

Wie onbekwaam zijn om te getuigen en welke partijen gewraakt kunnen worden bij de volksrechtspraak, blijkt niet. Bij grondgesehillen worden bezitters van aangrenzende velden bij voorkeur als getuigen genomen, hetzelfde geschiedt in andere gevallen, met buren in de bandjars en désa's.

Eedzweren in désa of soebak heet gewoonlijk najoeb bakang bakang5), tiba bakang bakang, anahap tjor, mangetjor, madéwa saksi6), masaksijang raga (voor kastenleden), mapesak-

4) Zie bv. Soebak-verordeningen blz. 359 en Kertasima blz. 205. *) Jacobs blz. 81—2, Fraser blz. 871, Lekkerkerker Hindoerecht blz. 127.

•) Landsverordeningen Bali blz. 71.

»j Kertasima blz. 205, Lekkerkerker Hindoerecht blz. 128.

•) Landsverordeningen Bali blz. 72, zou kunnen doen denken, dat alleen de soebakeed bakang bakang en de dorpseed oepasaksi heet, doch dat is niet de bedoeling, (zie o.a. Liefrinck Bali blz. 340—3.

•) Madéwa saksi zou alleen van lieden van kaste gezegd worden; wel merkwaardig, dat in het reglement van de Bali Agadésa Tnganan Pagrinsingan, dit woord voor eedzweren telkens voorkomt.