is toegevoegd aan uw favorieten.

Het adatrecht van Bali

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

468

vreemdelingen, met name Boegineezen en Ghineezen, aan grond, dan was daarvoor meestal goedgeefschheid op zijn minst toestemming van een zelfbestuurder noodig. De Balische bevolking zelf was (en is nog) zeer tegen grondbezit in handen van vreemden In verschülende bergdorpen werden zij door de bevolking niet geduld- waren ze er eenmaal gevestigd, dan werden allerlei rampen aan hun verblijf geweten1). In Badoengsch-Mengwi mochten in den vorstentijd geene Ghineezen komen ten Noord-Oosten van de toekad Ngongkong, hoewel ze er vroeger wel geweest, doch na een plaag in de gewassen, die aan hunne aanwezigheid geweten werd, verdreven waren.

Bij de vorsten konden ze meer verdienen; zy waren pachters van verschülende middelen en monopolies; vnl. het monopolie in koffiehandel bracht hun heel wat voordeelen, doch deed de symphatie voor hen bij de bevolking niet toenemen. Toch hadden zy ook van de zijde der vorsten veel van willekeur te lijden, ook als grondgebruikers, zooals Lekkerkerker Sr. terecht opmerkt ). Welke rechten konden vreemdelingen in den Balischen vorstentijd op den grond verwerven? Niet alle rechten, die Bahers konden uitoefenen, want uit het bovenstaande overzicht van de bevolkingsrechten kan blijken, dat voor verschülende daarvan, lidmaatschap, althans ingezetenschap van dorpen, vereischt was. We vinden dan ook Chineezen als houders van koffietuinen. Het recht, dat zy er op hebben, zal zijn óf genotrecht (zie boven blz. 440) of inlandsch bezitrecht8). Op genotrecht zal Liefrinck doelen, waar hy schrylt. dat de landsinstellingen beletten, dat de koffietuinen voor goed m het bezit van vreemdelingen overgingen4). Schwartz noemt ze eigenaren van deze tuinen 6).

Verder vindt men vreemde Oosterlingen vermeld als bezitters van andere droge bouwgronden, die ze wel door het «nandoe tanah" in sawahs deden omzetten, tenzij zij tegen een bepaald bedrag per bouw en levering van ploegvee dit werk uitbesteedden en den aannemers preferentie toekenden voor een daarna te sluiten deelbouw-overeenkomst, terwijl ook wel laatstgenoemden zonder loon in geld te ontvangen als vergoeding voor het ontginningswerk, gedurende drie jaren de volle opbrengst van de nieuwe sawahs genoten8).

Bij uitzondering zijn vreemde Oosterlingen dus sawahbezitters geweest, hetgeen geen moeilijkheden gaf, aangezien zij hunne verplichtingen ten opzichte van de soebaks en tempels trouw nakwamen. Later zijn ze die gronden vrijwel geheel aan Baliërs kwyt

») Zie een vermakelijk staaltje in Soebak-verordeningen blz. 22.

s) Lekkerkerker blz. 4.

•) Adatrb., XV, blz. 20. Schwartz Karangasem blz. 108.

*) Soebak-verordeningen blz. 22.

•) Schwartz Tabanan blz. 147.

•) Liefrinck rijstcultuur, 1887, blz. 544