is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige opmerkingen over het christendom en het Romeinsche recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

hij beoogde, het onbedorven houden van de Romeinsche civitas, te bereiken. We hebben gezien, welk een belangrijke plaats de slaaf als handwerksman in het Romeinsche leven innam. Wilde een vrijgelatene eenig werk vinden, dan was het noodzakelijk, dat hjj zich weer onder de slaven mengde. Langzamerhand wist hij zich echter de belangrijke ambten te veroveren, die eerst aan de senatoren, later aan de equites toekwamen.

Suetonius meldt reeds van Augustus:

muitos libertorum in honore et usu maximo habuit1).

Onder de regeering van Clauotus bekleedden de gewezen servi2) den rang van eques, en door middel van deze opende Claudius de poorten van de senaat voor de liberti; zelfs stelde hij hen aan het hoofd van Romeinsche provincies:

Claudius defunctis regibus aut ad modicum redactis Judaeam provinciam equitibus romanis ac libertis*) permisit. Equibus Antonius Peltx per omnem saevitiam ac libidinem jus regium servili ingenio exercuit. Is het te verwonderen dat, toen de vrijgelatenen tot zoo groote macht gekomen waren, men de hand lichtte met de maatregelen genomen door keizer Augustus in het belang van den Romeinschen geest? Daarenboven, toen niet langer een civis Romanos op den troon zat, maar een peregrinus tot keizer was uitgeroepen, voelde men de jaloersche reden van Augustus om den Romeinschen staat tegen vreemden invloed te beschermen niet meer. Integendeel, de Severen riepen de vreemdelingen naar Rome, en in 212 verschafte Caeacalla 4) alle inwoners van het rijk de

1) Suetonius, Aug. 67.

2) Punius, Bost. Nat. 33. 2. (8). Cfr. Taoitus, Bast. 1. 58.

3) Taoitus, Historiae 5. 9.

*) TTlpianus, 6. L disp. D. J. 5. 17.