is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige opmerkingen over het christendom en het Romeinsche recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59

van deze gedachte, wanneer het recht van usus nader geregeld wordt. Ulpianus behandelde in zijn zeventiende boek ad Sabinum de vraag1), in hoeverre de gebruiker recht op de vruchten had.

Sabinus, Cassius, Labeo en Proculus achtten de gebruiker gerechtigd om hiermee in het onderhoud van zich en de zijnen te voorzien. Juventius breidde dit uit: ook de gasten mochten op de vruchten onthaald worden; bjj deze meening sluit Ulpianus zich aan, doch voegt hij er aan toe: Sed utetur his, ut puto, dumtaxat in villa. Justinianus2) gaf den verbruiker het recht de vruchten ook naar de stad te vervoeren:

Sed melius est accipere et in oppidum deferenda, neque grave onus est horum si abundent in fundo.

4°. De opvatting over het mijn en dijn.

We hebben reeds vroeger gezien, dat het Christendom bjj het gebruik, dat de eigenaar van zün recht kan maken, de individueele grens in sommige gevallen heeft verlegd; de gemeenschapsgedachte beheerschte voortaan de vraag, hoever de macht van den eigenaar strekte.

Eiccobono voegt hier in zün onderzoek naar den invloed van het Christendom op het Romeinsche recht aan toe:

Niet alleen het gebruik van het eigendomsrecht heeft door de Christeüjke leer wijzigingen ondergaan, maar ook de vraag: wat is mün, wat dijn?3).

Hij beroept zich op twee adagia te vinden in de Digesten:

1) Ulpianus 17 1. ad Sab. D. 7. 8. 12. 1.

2) Geïnterpoleerd. Riccobono, L'influenza del Cristianesimo nella codi-

ficazione de Giustiniao in Ri vista di scienza , Bologna 1909,

bid. 131 e.v.

3) Riccobono, bid. 140.