is toegevoegd aan uw favorieten.

De pijnbank in de Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

pynbanck wederomme geleyt sal worden: maer in zuicken gevalle, sal tproces gevisiteert worden om hem recht te doen ende administreren, zoe die zake ende materie dat vereysschen zal, zoe wel tusschen onse fiscalen ende officiers, als geïnteresseerde parti, tzy tot absolutie, slakinge, pene extraordinarys, oft anderssins, zoe dat behoiren sal"! Hoeveel bewijs tegen den beklaagde noodig was om hem te mogen pijnigen, wordt in het volgend artikel aangewezen: „Verbiedende wel scerpelycken allen iugen ende rechters, hoedanich die zyn, vander pijnbanck oft tortuere anderssins te gebruycken, dan in zaken daert by rechte gepermitteert ende toegelaten is: Te weten, als tstuck zoe claer, ende die preuve zo apparent is, datter niet en schijnt te resteren dan die confessie oft belydinge vanden gevangenen1), om denselven ontwyffelycken te verwinnen: maer daer geen volle oft halve preuve err is, oft oick daer die preuve zeker ende ontwyffelachtich is, verbieden wy de voirseyde pynbanck tappliceren: Abolerende oick inden selven gevalle, alle costuymen, usancien, statuyten oft observantiën ter contrarien".

De strekking van laatstgemeld artikel was dus ook tegen te gaan het misbruik, dat de beklaagde gepijnigd werd, ook al was er reeds volledig bewijs. Dit misbruik kwam veelvuldig, ook in Holland en Vlaanderen, voor2). Dat de Costumen van Ostende het uitdrukkelijk verbieden, bewijst, dat het misbruik bestond: „Wel verstaende, dat als diergelycke Delinquanten suffisantelick betuygt ende verwonnen zyn van den faicte, hetwelck men hemlieden te laste legt, men niet en vermag deselve ook t' appliquieren ter Torture om daer by oock te krygen haerlieder kennisse"3).

§ 3. Algemeen geldende eischen.

Volgens de in de 17de en 18de eeuw heerschende rechtsleer moest aan de volgende vereischten zijn voldaan om een verdachte te mogen pijnigen.

Het delict, waarvan hij beticht wordt, moet behooren tot de zware misdrijven. Sommige schrijvers zijn van oordeel, dat het noodig is,

t„jL i S^mt overeen met L 1 § 1 D. De Quaestionibus XLVIII, 18: Ad tormenta servorum ita demum veniri oportet, quum suspectus est reu* ei ains argument*» ita probationi admovetur, ut sola confessio servorum deesse videatur.

*) J. B. Cannaert. Bijdragen tot het oude strafregt in België, 1829, bl 65 ) Costumen van Ostende rubr. 24, art. 5.