is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Jacques Perk tot nu

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer een onderwerp van bezinning voor hen geworden, dat hun denkbeelden een afgerond geheel vormden. Langzamerhand eerst, door het nadenken en schrijven over gedichten, ontstond in hen wat men een theorie van de dichtkunst noemen mag. En juist daarom, omdat deze theorie zich eerst langzaam vormde en voorloopig verspreid lag in tallooze besprekingen, was het ook voor de hoogescholen geen nadeel dat zij er vooreerst bleef uitgesloten.

Gedurende al die jaren bestond trouwens tusschen hoogescholen, dichters en leeken een onmiskenbare wisselwerking. Resultaten van studie gingen over en weer. Omdat wij allen menschen zijn, drongen denkbeelden door waar ze op leer of methode schenen te moeten afstuiten. Het gemeenschappelijk studie-voorwerp — de nederlandsche literatuur in haar geheel genomen — maakte inderdaad vaak tot bondgenooten wie elkander schijnbaar bestreden.

De geschiedenis van die literatuur heeft niet alleen na 1830, maar in het bizonder na 1880 veel aan de Universiteitsstudie te danken gehad. Zonder haar tallooze vondsten en navorschingen, maar vooral zonder haar groote geordende overzichten, zouden wij een materiaal missen, dat voor ieder letterkundig onderwijs onschatbaar, en voortaan onontbeerlijk is. Uit leekenkringen kon het worden aangevuld en verrijkt, aanvulling en verrijking die erkend en aanvaard werden, maar het groote geheel van deze geschiedbeschouwing bleef het eigendom van de Universiteiten.

Dat, evenwel, de dichters en schrijvers die hier sedert 1880 werkten, zich door de studie aan de hoogescholen niet voldaan gevoelden, lag juist aan dit overwicht van het geschiedkundige. Zij wenschten niet de geschiedenis van poëzie en proza in de eerste plaats behandeld te zien, maar vóór alles poëzie en proza zelf.

Het behoeft geen betoog dat ook het bewonderend indringen in gedicht of prozawerk niet noodzakelijk aan de

18