Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

avondzon, den Bigorio; (Feesten, 24) Zij gaf, loszinnig lollig, een knik met haar hoofd; in de spanning van een afscheid: (Gids '17, II 451) En plots bleef ze staan, hijgend... Ze boog het hoofd en ging voort, trager nu... Ze schudde glimlachend haar hoofd, stil verwijtend. In de spanning van het zwijgen: (Gids '17, III 71) Eu was opgeveerd, ongeduldig. Over een plek liep hij, heen en weer. Toen bleef hij staan, schuin achter zijn vriend. De storing van rust: (Gids '17, II 83) Toen daar, opeens, in den luiden gang, de bel overging. — Het is begrijpelijk, dat de spanning niet alléén door de onderbreking, maar door een samenloop van allerlei factoren wordt uitgedrukt. Zoo is in de gegeven voorbeelden dikwijls de „beknopte" of „onvolledige" zinsvorm evenzeer van gewicht. De uitwerking der onderbreking is echter vooral ook afhankelijk van de woordschikking, in het bijzonder van de plaats die het afgescheiden deel in den zin inneemt. Onderbreking van den zin in het midden verwekt spanning door de scheiding van subject en praedicaat, of verbum en object. Afscheiding van het laatste deel van den zin leidt tot een nadrukkelijke aaneenschakeling. Afscheiding van den aanloop* van den zin leidt tot de hevigste spanning, omdat ten eerste reeds de omzetting van den zin door opening met een aanloop wordt gevoeld als een formeele index van sterk gespannen zinsinhoud, en ten tweede omdat door de pauze na den aanloop de mededeeling van het geheele praedicaat wordt vertraagd.

Bij een vroegere gelegenheid') heb ik aangetoond, hoe een oorspronkelijk afgescheiden aanloop in de volgende groep kan worden opgenomen. Worden nl. in een bepaalden stijl onderbrekingen gangbaar, „usueel", dan kunnen de pauzen verzwakken en verdwijnen. De eerste pauze eerder dan de tweede. De opkomst en deze verdwijning van de onderbreking en afscheiding gaan in het leven der taal

1) Tijdschr. XXXVI: 250, XLIV: 136.

Sluiten