Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meur dat alle kinderen hadden, dat in uitgelatenheid uitbarstte in de jongens, in bijna hysterische lachbuien bij de meiden.

„Hoe is 't er mee, Moeder?" vroeg Mien.

„Koorsig nog," zuchtte de oude vrouw. „De nije dokter is cfer net weest. Pille gaf ie. En hij het me beklopt en bedèen, en met 'n hoorntje onder m'n arm. Maar de binnenboel was goed, zeed ie. Dèer lag 't niet an."

,/t Zei wel van je biene komen," meende Mien.

„Wei ja d'ik," beaamde Peet, „Hew Tc ok al zeid."

De oude vrouw liep zwaar, haar breede lichaam moeizaam ophoudend op haar dikke beenen; zonk telkens, dood-op, in een stoel neer, als Peet met boodschappen uit was, en zij in de winkel bedienen moest de enkele klanten.

Nu had ze 't opgegeven, lag eenige dagen al met zware koortsen; en er was angst geweest in de familie, hoewel ze 't eentonig leven van elke dag: visschen, azen, visschen, azen, hadden voortgezet in schijnbare onverschilligheid. Maar Wouter was overgekomen uit Amsterdam, wat hij zelden deed, en elke dag was de dokter er geweest met 'n zuster, om moeder te verbedden.

Maar nu *t wat beter ging was Wouter weer vertrokken naar z'n kleerezaak, en de dokter kwam om d'andere dag.

En weer zei Mien, toen er geen antwoord kwam:

,/t Zei wel van je biene komen, Moeder."

De stilte stond weer tusschen hun drieën als een blok.

De regen bleef 't venster slaan.

„Zok regenen niet?" zei Peet.

Zijn zin bleef even zweven door 't vertrekje.

„Nou!" vond Mien. ,/k Was effen bij Trien van Kee. Een flinke jongen, hoor, en een maklukke bevalling, zee ze."

„Zoo," zei d'oude vrouw. „Is dat de tweede?"

„Wel nin ik! De darde!"

„O ja. Een jongen?"

8

Sluiten