Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is of een aardschok zijn heugnis doorschudt,

En menige kwellende vraag Komt boven, als wier uit een peillooze put,

Wanstaltig en troebel en traag.

Het is, dwars door 't weemlen van 't grauw en van 't zwart, Of eensklaps iets vreemds hem bespiedt.

Van afgrijzen krimpt en bezwijkt hem het hart. Toch staat zijn vervolger daar niet.

De grimmige bouwval der molen Hangt scheef over 't sluimerend erf. De wieklooze kap, na 't verkolen,. Bedreigt ook dat huis met verderf: Die woning, in eiken verscholen, Geschonden met splinter en scherf, Met vensters, thans glaslooze holen, Besmet met versmeltsel van verf.

Gewis is de berm te beklimmen Al dooft ook de kooprige schijf. „Al gaat ook uw omtrek verschimmen, „Ontsteld van mijn schandlijk bedrijf, „Verdraag mijn gevloekte nabijheid! „Ik breek, ik verzwak en verstijf! „O, kamers, gij weigert gastvrijheid, „Toch vraag ik uw drempel verblijf"!

Verborgen is 't vlies op 't verraderlijk wrak.

Hij nadert, behoedzaam en zacht. Zijn rede komt scheemren. Beschermt hem ginds dak

Of maakt hij zich dubbel verdacht?

Hij mijmert: wanneer ik de drempel betreed

Welks eigenaar om werd gebracht, Nog steeds met het bloed als een merk op mijn kleed.

Wie weet, wat ontmoeting daar wacht.

VI

Sluiten