Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

HOOFDSTUK I.

molen gehouden en oogluikend lieten de Hoornsche magistraten ze toe. Wie ter wereld zou hem kunnen verbieden binnenshuis zijn God te dienen op zijn wijze? Dat vermocht zelfs Alva niet.

De vreemde troepen dan? Ja, dat was een inbreuk op het aloude privilegie, doch spoedig zouden ze weer ingescheept worden naar Spanje, indien het den Landvoogd bleek, dat de bewoners der Nederlanden gehoorzame onderdanen van den Koning wilden zijn; als ze op tijd schot en lot betaalden en zich niet verzetten tegen het wettig gezag.

Dat de woeste Beeldenstormers voorbeeldig gestraft werden, wie zou het onrechtvaardig vinden?

Wel had Wijnand zijn broeder Clement aangeraden tijdelijk de wijk te nemen, doch hiervoor was een bijzondere reden.

Clement toch was pastoor geweest aan de St.-Anthoniskerk te Hoorn; daarna had hij zich openlijk een aanhanger verklaard van de Nieuwe Leer; den 26en Mei was hij deswege uit de stad gezet. Toch had hij West-Friesland niet verlaten, maar nu eens bij dezen, dan bij genen geestverwant een veilige schuilplaats gevonden en hij was voortgegaan de vrienden te onderrichten en tot volharden aan te sporen. Door toedoen der geestelijkheid was er half September een bevel tot inhechtenisneming tegen hem uitgevaardigd. Vluchten was nu plicht, daarom had Wijnand de noodige maatregelen genomen zijn broeder hierin behulpzaam te zijn. Een visscher van Scharwou, met name Coen Gerritsz, zou hem met zijn schuit overbrengen naar Kampen ; vandaar kon hij de wijk nemen naar het land van Cleve of naar Oost-Frieslands hoofdstad Embden: twee toevluchtsoorden voor zoovelen, die hun vrijheid in de Nederlanden bedreigd zagen,

Heden avond zou Coen in zee steken. In den laten namiddag had Wijnand zich op weg begeven naar Swaeg, waar Clement verblijf hield bij een vertrouwd vriend. Tegen zessen kwam hij er aan en zoodra de duisternis was ingevallen, begaven beide broeders zich op weg naar „de Vergulde Korenaer."

Nauwelijks waren ze* buiten, of Clement sprak: „Wijnand, vlucht mee."

„Waarom zou ik vluchten?" vroeg Wijnand, „ik ben mij geen kwaad bewust. Mijn geweten is zuiver."

„En het mijne dan?" luidde het wederwoord. „Meent ge, dat mijn hart me verwijtingen doet? Dat zij verre! En toch dreigt me gevaar, ge weet het zoo goed, als ik zelf. Niet dan met groote smarte verlaat ik deze streek en de stad mijner geboorte, aan welker opkomst en bloei onze voorzaten eeuwen hebben gearbeid; mijn familieleden, die me zoo dierbaar zijn en van wie ik nu voor goed scheide; mijn vrienden, — en ik heb

Sluiten