Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heesters heen het foleekersvaartje zien, waar het plein op uit liep.

In het middelste van die drie huizen waren de menschen niet uit. De twee benedenramen en de drie bovenramen waren hoog opgeschoven. De voordeur ging open, en een jongen van een jaar of acht in een blauw gestreept matrozenpak kwam op de stoep. Met de hand op zijn blonde krullebol(want de schuine zonnestralen waren nog zoo warm) stond hij even te luisteren. Hij hoorde het verwarde geroezemoes van de groote drukke straat in de verte, het blaffen van een hond, het gesjilp van musschen in de heesters... maar het geluid, dat hij hoopte te hooren: een rijtuig, dat kwam aanrollen door de Voorstraat naar hun plein, dat hoorde hij niet.

„Psst! Rob!" klonk 't boven zijn hoofd. Toen Rob opkeek, zag hij twee jongenshoofden met kortgeknipt donker haar buiten het raam, en meteen werden er vier vlaggetjes uitgestoken, 't Waren Hugo en Kees, de oudere broers van Rob.

„O dat is leuk!" riep Rob.

„Jammer dat er geen wind is, dan zouden ze

Sluiten