Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

Het bezoek deed het ook, en kon zich dan maar niet indenken, dat een werkelijk aardig kind, nou ja al was het dan wat dik, zoo bar leelijk kon worden.

Of nee, bar leelijk, dat is nu toch al verteld, was tante Noep niet. In haar dikke gezicht met den leelijken mond, nog leelijker omdat tante altijd sirih kauwde en er wel eens iets roods van sirihsap te voorschijn kwam, wat erg griezelig voor den bezoeker was, in dat gezicht stonden de mooiste bruine oogen die men zich maar denken kon, en die straalden van een goedhartigheid, van zulk een lief karakter, dat men alles vergat als men maar in die groote fluweelen oogen zag.

Maar gek hè, dat haar oogen zoo mooi waren, daaraan dacht tante Noep nooit. Als je het haar gezegd zou hebben, zou ze waarschijnlijk gelachen en hem of haar een duwtje met de hand gegeven hebben: „Niet zoo toch, jij bent een vleier."

Terwijl toch alles wat gezegd was eerlijk gemeend zou zijn.

Want die oogen .. .

Daar stond goedheid in. Goedheid die niet alleen het bezit is van hen, die rijk zijn, maar toebedeeld aan allen, die een medelijdend hart in zich hebben.

Wat die tante Noep een vogeltje kon verzorgen, dat erg jong nog uit het nest gevallen was, of dat door een wreede kat belaagd, angstig heen en weer fladderde.

Dan noemde ze de kat wreed, om echter op andere dagen ook zoo'n geplaagd beest, dat door straatjongens iets aan den staart gebonden was en gejaagd heen en weer rende, te helpen. Dan hoorde je haar fleemen: „Kom maar hier poesje, poeterdetoetie, klein knipperdolletje, zoete beest van de vrouw." Dan was ze vergeten, dat ze een poes misschien maar een half uur te voren nog wreed genoemd had.

Sluiten