Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

SIGRID

gestapt was en naar den prijs ervan gevraagd had, sloeg ze even van schrik haar hand tegen haar mond, toert de juffrouw gezegd had, wat zoo'n bosje kostte.

Toch aarzelde ze niet, ze waren immers voor Vader, wat kwam het er dan opaan, of ze duur waren. Ze had dan wel zoowat niets meer over van haar maandgeld, maar dan moest ze de rest van de maand maar heel zuinig zijn. Dat kon best.

„Het zijn wel bizonder mooie viooltjes," zei de juffrouw, die het gebaar van schrik, bij het hooren van den prijs, gezien had, „en ze ruiken zoo sterk."

„Ja," knikte Sigrid, „geef u me maar dat groote bosje."

Met de bloemen, zorgvuldig ingepakt tegen de koude buitenlucht, verliet Sigrid den winkel.

Heerlijk, ze had ze, wat zou Vader blij zijn, als hij nu maar niet thuis was, het was al laat, vreesde ze.

„Vader is er toch nog niet?" vroeg ze aan het meisje, dat haar opendeed en vloog haar voorbij, zoodra ze gehoord had, dat mijnheer er nog niet was.

Vóór haar goed af te doen, zocht ze een mooi, kristallen vaasje uit, vulde het met water en zette de viooltjes er in.

Ze was er net mee klaar, toen ze Vaders sleutel in het slot hoorde. Nu wilde ze de kamer niet meer uitgaan en gooide dus haar hoed en mantel maar op de rustbank.

Wat een genot, Vader in de deur te zien staan, den neus in de lucht, brommend:

„Ik ruik, ik ruik... viooltjesgeur,"

Sigrid schaterde het uit en vloog naar hem toe.

„Leukerd, eenige leukerd, ik dacht heusch, dat u menschenvleesch rook."

Haar vader stapte nu, met Sigrid aan zijn hals hangend, langzaam en moeielijk op de tafel toe.

„Neen maar," riep hij uit, „ik beleef toch een

Sluiten