Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

Hier en daar zakte hij tot aan zijn enkels in de sneeuw weg en had hij groote moeite zijn klompen, waaraan zich de sneeuw als een hard kluitje onder zijn hielen vastzette, niet te verhezen.

„Wat is dat ?" zei hij in zich zeiven, terwijl hij een stap op zijde deed en achter een dikken, ouden wilgestam keek. „Wat zit daar ? Een kat aan een touw ?

Wel, alle goeie menschen, 't is een aap aan een ketting. Hoe komt die hier ?"

Hij -trad nog een stapje nader, maar bleef dan staan, omdat het beest hem de tanden het zien en woedend grijnzende, achter den stam bleef zitten, 't Dier kon niet verder ; de ketting, eenige malen om den boomstam gedraaid, hield het tegen.

Door 't rukken, trekken en heen en weer springen was in de sneeuw den ketting gemakkehjk te volgen en Barends blik speurde in den greppel, achter den stam, een hoopje vodden.

„Hemel! neen," riep hij uit, „ik zie een hand, die 't kettinkje stevig vastgeklemd houdt.

Een kinderhand.... onder de dikke sneeuw..... dat is vreemd.... niet in den haak.... eens . even kijken."

„Au! satansch beest!" schreeuwde hij eensklaps luid en sprong vlug terug, daar 't aapje hem de tanden in de broekspijp sloeg.

't Was gelukkig meer de schrik dan de pijn en Barend moest onwillekeurig even lachen, dat hij zoo vlug weer op 't wegje stond „en dat voor zoo'n mormeltje".

Toch nam hij voor alle zekerheid een ander wegje ; een paar passen verder stapte hij in den bijna dicht gejaagden greppel en voorzichtig voortschuivende, steeds 't aapje in 't oog houdende, naderde hij 't handje, dat stijf-blauw boven 't sneeuwdek uitstak.

Toen hij 't aan wilde raken, sprong het aapje woedend op hem toe, de mondhoeken hoog opgetrokken, de witte blikkerende tandjes stijf op elkaar geklemd en blazende als een kat.

Gelukkig voor Barend was 't eind ketting te kort en t aapje, hierop niet bedacht, rolde kopje-duikelend in de

Sluiten