Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Droevig stemde den jongeling deze harde voorwaarde, maar niettemin gaf hij den moed niet op. Reeds den volgenden morgen nam hij van het meisje en haar vader afscheid, om naar het Morgenland te reizen en in Damascus te leeren, hoe men zulke degens smeedde.

Te voet trok hij van dorp tot dorp, van stad tot stad. Zoo kwam hij ook in het Spessartgebergte en daar overviel hem de nacht midden in het donkere woud. Nu zou hij wel geen onderdak voor den nacht meer vinden, dacht hij. Doch plotseling zag hij in de verte een lichtje schitteren, hij ging er op af en kwam aan een vervallen hutje. Hij klopte aan de deur, hij klopte nog eens en eindelijk verscheen er een oude, foei-leelijke vrouw, die hem vroeg, wat hij wou.

Of hij in de hut overnachten mocht ? Ja, dat zou wel gaan, maar dan moest hij met een heel klein hokje genoegen nemen, want ze kreeg nog meer bezoek dien nacht. Ze grijnslachte, toen ze dat zei. Maar ze noodigde hem toch meteen uit, om w*pst nog in de kamer te komen en de avondsoep met haar te deelen.

Erg veel vertrouwen had hij wel niet in haar, maar hij was toch dankbaar voor haar gastvrijheid en onder het eten vertelde hij haar, op haar vragen, eerlijk; waar hij vandaan kwam, waar hij heenging en wat het doel was van zijn reis. Hierop wees het oudje hem zijn legerstede, maar het wilde met het slapen niet goed lukken.

Het middernachtelijk uur naderde reeds, toen hij opeens een harden slag hoorde, alsof er een zwaar voorwerp door den schoorsteen viel. Onhoorbaar stond hij van zijn leger op en gluurde door een reet in den dunnen houten wand, die zijn slaapvertrek van de woonkamer scheidde. Daar zag hij bij den open haard een langeU, donkeren man zitten met een barsch gezicht. Hij droeg een rood wambuis en een hoed imet een hanenveer. Zijn eenen voet had hij in de asch van [den haard gestoken. De vrouw stond in smeekende houding

Sluiten