Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langs het begroeide pad. In 't voorbijgaan rukten de schapen hier en daar een blad van de struiken en liepen dan verder. Achteraan kwam een klein lammetje; het had in zijn korte leven niet anders dan van melk geleefd; pas een paar dagen geleden was het begonnen gras en bladeren te eten. Maar nu was het wat afgedwaald van zijn moeder en geen enkel ander schaap nam de moeite hem de goede planten te wijzen. Het kleine, domme lammetje begon te knabbelen aan de bladeren van de doornstruik en omdat het die zo lekker vond, liep het telkens een eindje verder en at nog meer. Bij ieder stapje, dat het lam deed, weken de takken van de doornstruik terug en bogen zich weer naar elkaar toe en toen het dier terug wilde gaan, hechtten de doornen zich in de kroezige witte vacht, zodat het als gevangen in de takken zat.

Toen begon het kleine lam klagelijk te blaten, maar niemand kwam hem te hulp, want de herder was verder gegaan en noch hij, noch het moederschaap, noch de hond hadden gemerkt, dat het was achtergebleven.

Het lammetje werd heel bang, het blaatte en riep; maar och, het was maar een klein, zwak stemmetje in de grote ruimte; het had honger, maar durfde niet meer eten van de boze struik; het kroop helemaal in elkaar en keek met grote, angstige ogen de donkere verte in.

Na vele uren klonk er een stap op de weg — de stap van een man. Het lammetje hief dadelijk zijn moede kopje op en gaf een klagelijk geluidje.

De maan was opgekomen en de doornstruik zag, dat de man, die de weg afkwam, staan bleef om te luisteren. Toen legde hij zijn staf neer en bukte zich naar de struiken, alsof hij daar iets zocht. En zo kwam hij bij de doornstruik en zag het verdwaalde dier.

„Ben je daar?" vroeg hij, „ben je daar eindelijk? Ik heb je al zo lang gezocht."

Nooit had de doornstruik van nabij zo'n vriendelijke stem gehoord, nooit zulke zachte, liefdevolle ogen gezien.

Toen de man de takken vaneen boog, hield de struik al zijn stekels in, om de zachte, helpende handen van de man niet te wonden. De man nam het kleine schaapje, dat moe was van angst en ontbering op zijn arm; hij sloeg zijn donkere mantel koesterend om het bevende dier, greep zijn staf en ging heen langs de weg, die hij gekomen was.

In dat jaar gebeurde het, dat de doornstruik de man met de liefdevolle ogen dikwijls voorbij zag gaan in ernstig gesprek met andere mannen of alleen, in diepe gedachten verzonken.

Maar eens op een dag had hij zich op een heuvel gezet, dicht

8

Sluiten