is toegevoegd aan je favorieten.

Toelichting omtrent de kwestie-Geelkerken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

naast het bestaande kerkgebouw. Dr Geelkerken kwant hier als predikant, doch werd niet met onverdeelde sympathie ontvangen. Tegen zijn tweede beroeping werd zelfs openlijk in een gemeentevergadering geprotesteerd.

Het eigenaardige verschijnsel, dat zich ook wel op meerdere plaatsen in onze Gereformeerde Kerken voordoet, dat de komst van een tweeden nieuwen predikant itt een gemeente, waar reeds eenige jaren een andere collega heeft gearbeid, heel gemakkelijk tot eenige wrijving aanleiding geeft, omdat elke teeraar zijn bijzondere gaven en talenten heeft, deed zich na verloop van tijd hier ook voor.

Het „ik ben van Paulus en ik van Cephas" geeft zoo gemakkelijk aanleiding tot naijver, waarboven ook de predikanten niet altijd verheven zijn.

Langzamerhand, al was dit nu nog niet zoo sterk uitkomend, werd hst echter wel duidelijk, dat de eene predikant trouwer gevolgd werd dan de andere. Zoo brak dan eindelijk het jaar 1920 aan, het bekende jaar van de Leeuwarder Synode en het geval Ds Netelenbos. Dr Geelkerken, toen reeds 5 jaren in de Geref. Kerk van Amsterdam-Zuid als Dienaar des Woords met zegen werkzaam en in vrede met zijn collega Ds A. van Dijken de gemeente leidend, gevoelde zich geroepen in het geding van Ds Netelenbos, een ouden studievriend, met zijn collega Ds Brussaard te Bloemendaal, op te komen tegen de onrechtmatige handelingen der Classis Middelburg tegenover Ds N. gepleegd. Dit deed hij uit overtuiging, dat geen enkele kerkelijke vergadering het recht heeft, al heeft ze soms de macht, een Dienaar des Woords zoo te behandelen als in dit geval geschiedde. De Synode heeft dan ook wel haar afkeuring uitgesproken over deze kerkelijke procedure, ofschoon zij Ds N. om afwijkende gevoelens niet heeft kunnen handhaven. .

Dit opkomen voor het recht van Ds N. heeft Dr Geelkerken evenals Ds Brussaard veel vijanden bezorgd, omdat men nu meende, dat hij ook diens gevoelens deelde, wat absoluut onwaar was. In een openbare vergadering te Amsterdam, waar Ds N. eens optrad, heeft Dr Geelkerken dit wel anders bewezen.

Maar, zooals het meer in dergelijke gevallen gaat, de laster vindt eerder ingang dan de waarheid en sinds dien tijd is dan ook de geheime verdachtmaking begonnen en voortdurend toegenomen. Hierbij voegde zich nu een tweede gebeurtenis n.1. de Getuigenispreek, die zooveel pennen in beweging bracht. De Generale Synode (1920) toch meende een getuigenis de wereld in te moeten zenden om een stem te laten hooren tegen de zonden van dezen tijd en had aan de Kerken verzocht dit getuigenis in een bepaalde godsdienstoefening van den kansel te doen voorlezen.

Dr Geelkerken, die evenals anderen, vele bezwaren had tegen den inhoud van dit officiëele stuk, wat natuurlijk zijn goed recht als Gereformeerde was, heeft dit dan ook, zich onderwerpend aan het Kerkeraadsbesluit, voorgelezen,