is toegevoegd aan je favorieten.

Reorganisatie van Naamlooze Vennootschappen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

stoomschip; bij de oprichting der vennootschap is haar juridisch kapitaal gesteld op ƒ 1.000.000.—, waarvoor het schip is ingebracht Het schip verslijt in 20 jaar. Het schip vaart een jaar: de gemaakte vrachten bedragen helaas slechts ƒ 100.000.— maar de gemaakte onkosten: gages, kolen, havengelden enz. enz. ƒ 150.000.— slijtage 1/20 van een millioen ƒ 50.000.— Bedrijfsverlies f 100.000.—. Maar, aangenomen dat het schip bij den inbreng ƒ 1.000.000 waard was, moet misschien worden geconstateerd, dat de waarde thans veel meer dan enkel het beloop der slijtage is achteruitgegaan. Misschien is de waarde nu nog maar ƒ 600.000.—. Brengt men het schip voor dezen prijs op de balans, dan is het verlies ƒ 450.000.—. Duidelijk is dan, dat dit verlies is te splitsen in een vermogensverlies van ƒ 350.000.— en een bedrijfsverlies van f 100.000.—. Ik geef nu een zeer eenvoudig voorbeeld; in de practijk zal de aangegeven onderscheiding vaak, of wel steeds, buitengewoon moeilijk te maken vallen, — er zal altoos veel willekeur mogelijk en zelfs onvermijdelijk zijn. Maar principieel valt de juistheid der onderscheiding niet te miskennen en ik stel haar hier voorop, omdat zij bij de beoordeeling van de beteekenis der verliezen van bizonder gewicht is; vaak wordt zij uit het oog verloren.

Ziehier dan de stelling, die ik aanstonds hieraan wil vastknoopen: Er kan tusschen economisch en juridisch kapitaal, tusschen reëel en nominaal kapitaal een bedenkelijke wanverhouding bestaan, zonder dat nochtans reorganisatie der vennootschap noodig.of zelfs gewenscht zoude zijn. Zoude de vennootschap, waarvan ik U zoo even de eenvoudige balans heb voorgelegd, werkelijk aanstonds de wanverhouding tusschen reëel en nominaal kapitaal willen wegnemen en tusschen die beiden voortdurend overeenstemming willen behouden — welhaast elk jaar zou zij een reorganisatie moeten ondergaan. M.a.w. de fluctuatie van de waarde der constante bedrijfsmiddelen, zonder meer, behoeft tot reconstructie aanleiding niet te geven. Vermogensverliezen, waarvan niet onmiddellijk bedrijfsverliezen gevolg behoeven te zijn, kunnen bij de beoordeeling van de gezondheid der onderneming wel is waar niet worden verwaarloosd — maar behoeven toch tot ingrijpen meestal niet te leiden. Hetgeen ons vraagstuk zoo buitengewoon gecompliceerd maakt, ligt natuurlijk hierin, dat tusschen vermogens- en bedrijfsverliezen in den regel een innige samenhang bestaat. Dat de waarde van het schip van ƒ 1.000.000.— tot ƒ 600.000— is teruggeloopen is natuurlijk juist gevolg daarvan, dat het op de vrachtenmarkt zoo treurig is gesteld: de waarde wordt voor een deel beheerscht door de winstcapaciteit. Maar gelukkig niet geheel. Ware dit wel het geval, dan zou de waarde van een schip, waarmee men ƒ 100.000.— per iaar verliest, op 5 % basis, te taxeeren op een negatief van 2 millioen. Laat ik mij echter niet te zeer in waardeproblemen verdiepen, doch houden wij ons aan de practijk.

Mijn stelling voor de praktijk heb ik bereids gezegd: niet alle verlies — al is het omvangrijk — zal aanstonds reorganisatie noodig maken. Durend bedrijfsverlies is bedenkelijker dan vermogensverlies. Is het al te duurzaam, is er geen hoop meer, dat aan het verliezen een eind kan worden gemaakt — dan verkeert de oatiënt in den toestand, waarover wij het straks hadden: hoe spoediger hem een ietwat te sterke inspuiting wordt toegediend, die aan zijn lijden een einde make, hoe beter. Maar de veronderstelling is thans, dat de vennootschap geacht'wordt met voortzetting van haar bedrijf voortaan weer