is toegevoegd aan je favorieten.

Vleeschkeuringswet S. 1919, no. 524

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 43 —

Art. 35

2. Hij die een geslacht dier, dat niet verkeert in den toestand, beschreven krachtens artikel 18, eerste lid, letter d, ter keuring aanbiedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

2. Het ontbreken van een orgaan kan aan een onwillekeurige omstandigheid te wijten zijn, maar het kan ook gevolg zijn van een toeleg, om den ambtenaar, met de keuring belast, op een dwaalspoor te leiden. In het laatste geval zal, bij herhaling, straf moeten volgen. (M. v. A.)

Art. 35. 1. Hij, die vleesch, dat aan keuring is onderworpen, doch niet van het voorgeschreven merk is voorzien, of vleesch dat aan keuring is onderworpen, doch niet overeenkomstig deze wet of de te harer uitvoering gegeven voorschriften is gekeurd, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten geschenke geeft, vervoert of doet vervoeren anders dan ter naleving van eenig wettelijk voorschrift, tot vervoer anders dan ter naleving van eenig wettelijk voorschrift of ter aflevering voorhanden heeft, of tenzij in afwachting van de keuring, in voorraad heeft, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

2. Hij die, behoudens het bepaalde in artikel 9, vleesch van de eene gemeente naar de andere vervoert zonder dat aan de voorwaarden, vastgesteld krachtens artikel 18, eerste lid, letter 7c, wordt voldaan, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

3. Hij, die vleesch, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden,