is toegevoegd aan je favorieten.

De suikerwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

3e. vetten, kleurstoffen ;

4e. mineraalbestanddeelen, als kali, natron, kalk, chloor, enz.

Alle in het sap aanwezige niet-suikers zijn voor de fabricage nadeelig ; zij belemmeren de kristallisatie der suiker en compliceeren dus de werkzaamheden voor het verkrijgen der suiker. De niet-suikers, welke weerstand bieden aan de inwerking van kalk en warmte, zijn oorzaak van melassevorming.

Een goede beetwortel behoort de volgende eigenschappen te hebben :

le. een regelmatigen bouw zonder vertakkingen, daar er anders bij de bewerking te veel verloren gaat;

2e. een middelmatige grootte, omdat te kleine wortels een geringen oogst opleveren, en te groote meestal arm aan suiker zijn ;

3e. wit, vast vleesch ; zulke wortels hebben het grootste weerstandsvermogen en gaan niet zoo licht tot bederf over ;

4e. een kleinen kop. Daaronder verstaat men dat deel van den wortel, waaraan de bladstelen vast zitten. Hij wordt reeds op het veld bij het rooien afgesneden en is een vrij goed veevoeder.

De waarde van den beetwortel houdt verder verband met zijn gehalte aan sap, met den suikerrijkdom van dat sap en met het gehalte aan niet-suikers.

Fabricage.

De aangebrachte bieten worden op de terreinen der fabriek, in ons klimaat in de open lucht, opgestapeld en vandaar heeft gewoonlijk door zwemgoten een geregelde toevoer naar de fabriek plaats. Deze zwemgoten zijn gemetselde goten, die met groote nauwkeurigheid worden aangelegd en een verval hebben van ± 5 m.M. per meter. In deze goten wordt een zoodanige hoeveelheid stroomend water aangevoerd, dat de, van de stapelplaatsen daarin te werpen bieten juist onder water komen te liggen. Behalve dat door dit water de wortels op een gemakkelijke wijze naar de fabriek worden gevoerd, ondergaan deze daardoor tevens een eerste reiniging.

Het water voor de zwemgoten is afkomstig van den z.g. centraalcondensor, waarin de dampen van het sap uit de later te noemen verdamppannen en kookpannen wordt gecondenseerd. .Het z.g. valwater heeft een temperatuur van ± 40° C.

Thans moeten de bieten worden overgebracht in een waschmolen. Geschiedt dit overbrengen door een schroefelevator of tonmolen, dan loopen de verschillende goten alle uit op eenzelfde, in den grond aangebrachte hoofdgoot, liefst voorzien van z.g. steenvangers, dat zijn verwijdingen, voorzien van een rooster. In deze goot bezinken grootendeels de door het water medegevoerde klei en steentjes. De hoofdgoot voert naar een elevator, een mechanischen transporteur in den vorm van een schroef met breede bladen, die door zijn omwenteling in een passenden houten cylinder, de wortels uit den verzamelbak naar een boven in de fabriek gelegen waschmolen voert.

In de laatste jaren is de tonmolen, welke veel kracht vereischt en de bieten ook beschadigt, vervangen door het z.g. Hubrad, een groot rad van 4 tot 6 M. diameter, dat in zijn velling aan de binnenzijde een