is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI. — Artt. 41—42. 107 en zijn dus niet tot schadevergoeding verplicht, welke ook de uitkomst der verificatie moge wezen, daar die uitkomst op de rechtmatigheid of onrechtmatigheid der begane daad geen invloed kan uitoefenen. Arrest van den Hoogen Raad van 12 Nov. 1841 • zie v. d HONERT deel I, blz. 271.

4. Onder de woorden ten koste van ongelijk kunnen alleen begrepen worden de kosten van lossing, visitatie, verificatie en wederinladmg, zonder dat dezelve kunnen worden uitgestrekt tot vergoeding van schade of winstderving, welke het noodwendig gevolg mochten zijn van zulk een lossing. Arrest alsvoren.

5. Accijnsvrije goederen, hetzij die al dan niet aan rechten onderworpen zijn, kunnen slechts in twee gevallen geverifieerd worden, nl.: a. wanneer ze op den voet van art. 122 der Alg. wet zijn aangegeven en b. bij verdenking van kwade aangifte en dan ten koste van ongelijk.

Buiten deze gevallen worden de accijnsvrije goederen op verkregen document, hetzij volgbrief, paspoort of vrijbiljet, slechts gevisiteerd.

Visitatie onderscheidt zich daardoor van verificatie, dat bij de eerste de juistheid der aangifte wat de hoeveelheid en soort betreft, niet wordt onderzocht door expresse weging, meting enz., maar bloot naar de oogenschijnhjkheid wordt afgemeten, in dier voege, dat na verkregen overtuiging, dat noch de hoeveelheid of soort verkeerd zijn aangegeven, noch dat termen tot benadering (a) bestaan, en men na behoorlijke beschouwing der goederen, zich zedeüjk overtuigd houdt, dat bij de aangifte niets is verzwegen, het document door de ambtenaren, ten blijke van de daarop gedane visitatie, wordt afgeteekend, waarmee de geheele operatie is afgeloopen. Res. 30 Januari 1855, no. 137.

(a) Zie aant. 23, noot o, op art. 40.

6. Bij art. 5 van de herziene Rijnvaartakte {zie het Kon. besluit van 3 Mei 1869, S. no. 75, V. no. 100) is bepaald dat de schippers van de vaartuigen, die tot de Rijnvaart behooren, op de vaarwaters, vallende onder de bepalingen dier akte, nergens tot geheele of gedeeltelijke lossing, noch tot overlading hunner ladingen gedwongen kunnen worden.

Art. 42 (1). Tot de lossing kunnen alleen worden opgegeven de plaatsen, alwaar kantoren van betaling bestaan, of door Ons zullen worden gevestigd (2—3); te water voor elke rivier afzonderlijk (4), en te lande het naastbij (5—6) zijnde kantoor, langs de heerbaan of verder binnenwaarts aanwezig, en tot opslag in entrepot geene andere plaatsen dan aan welke de gunst van entrepot is of zal worden toegekend (7 9).

On ne pourra déclarer comme lieu de déchargement d'autres endroits que ceux ou. existent ou seront établis par Nous des bureaux de payement, savoir: a rentree par eau, ceux désignés pour chaque rivière en particulier; par terre, celui le plus voisin sur la grande route ou se trouvant plus avant dans l intérieur ; et pour la mise en entrepót, les bureaux ou endroits auxquels la faveur de Ventrëpót est ou sera accordée.

1. Voor de lossing van vrije goederen behoeft art. 42 niet te worden opgevolgd. Zie de instr. V. 1870, no. 62, in aant. 3 op art. 3 der wet van 4 April 1870, S. no. 61, opgenomen in bijlage A.

107