is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI. — Art. 105.

219

3. Eertijds kon ruwe suiker in fictief entrepot worden opgeslagen. Daar deze bevoegdheid vervallen is door de wet van 1 April 1846, S. no. 17, V. no. 74, en thans volgens art. 92 der Alg. wet alleen accijnsvrije goederen in fictief entrepot mogen worden opgeslagen, kunnen de woorden ,,of fictieve" als'vervallen worden aangemerkt.

4. Zie aant. 8 op art. 97.

5. Wanneer bij peiling ondermaten worden bevonden in de particuliere entrepots, zal de accijns voor die ondermaten, zoodra deze niet terstond door de belastingschuldigen wordt betaald, onmiddellijk, uit krachte van art. 290 der Alg. wet, bij parate executie kunnen worden ingevorderd, zonder vooraf tot het sluiten der rekening over te gaan. Res. V. 1831, no. 181.

6. Art. 105 der Alg. wet bepaalt uitdrukkelijk, dat de met de entrepositarissen gehouden rekeningen eenmaal 's jaars, en wel in de maand Januari, zullen worden afgesloten, en tevens, dat die afsluiting ook tusschentijds kan plaats hebben, wanneer zulks door de Administratie wordt verlangd.

Deze bepaling der wet is duidelijk, en behoeft geen uitlegging en zij geeft althans geen aanleiding, om een driemaandelijksche afsluiting, met overbrenging op nieuwe rekeningen, hetwelk, behalve de werkzaamheden te vermeerderen, ook nog veel materieel kost, stellig voor te schrijven; terwijl de bevoegdheid der Administratie, om de afsluiting ook tusschentijds te kunnen doen plaats hebben, versterkt in het gevoelen, dat zoodanige driemaandelijksche afsluiting niet de bedoeling des wetgevers is geweest.

Het komt alzoo voor, dat de vaste tijd van afsluiting, volgens de wet, die van de maand Januari van ieder jaar is, en dat dezelve zich behoort uit te strekken tot de rekening van het vorige jaar, dus, dat met 1° Januari van elk jaar, voor iederen entrepositaris, een nieuwe rekening moet worden geopend, en op dewelke het resultaat van het vorige jaar moet worden overgebracht, zoodat alleen ingeval het van de zijde der Administratie noodig wordt geacht een of andere entrepotrekening tusschentijds kan worden afgesloten. Res. V. 1828, no. 57.

7. Op bedenkingen, geopperd tengevolge van het door twee handelaars in wijnen voorgewende, „dat", namelijk „door de opneming der accijnsgoederen in de particuliere entrepots, welke door de Administratie, uit krachte van art. 105 der Alg. wet kan worden gedaan, alleenlijk een globale rekening, zonder eigenlijk gezegde grondige verificatie zou zijn bedoeld," is te kennen gegeven: dat dit voorgewende, uit den inhoud van het gezegde artikel zelve, ten volle kan worden weerlegd.

Immers maakt, na het voorschrijven dier opneming, het artikel gewag van aanzuiveren der rekening door betaling van het verschuldigde wegens het te kort bevondene; iets, hetgeen niet te veronderstellen is, dat de wetgever van een globale opneming zal hebben willen laten afhangen.

De Administratie is alzoo van gevoelen, dat, wanneer de gedragingen van een of ander entrepositaris aanleiding mocht geven tot het vermoeden, dat hij misbruik van de gunst van particulier entrepot maakte, zoodat, of tot ontdekking daarvan, of tot verzekering van 's Rijks belangen, een juiste verificatie of peiling van een of meer zijner particuliere entrepots noodzakelijk wordt geoordeeld, dezelve kan en behoort plaats te hebben.