is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

348

HOOFDSTUK XVI. — Art. 166.

aan verschillende personen af te leveren hoeveelheden suiker (waaronder kandij) of geraffineerd zout, voor eiken ontbieder 5 K.G. niet te boven gaande. Art. 1 eerste lid, van het gewijzigd Kon. besluit van 18 Febr. 1905, S. no. 78, V. v. V. no. 281 XX (bijl. R).

De Inspecteurs kunnen, ieder voor zooveel zijn inspectie betreft, aan handelaars in wijn, zoutzieders en handelaars in zout (a), hebbende genot van verlengbaar of afloopend krediet, op hun verzoek, tot wederopzeggens vergunnen om het vervoer van wijn of zout volgens de bepalingen van het K. B. Vervoer te doen geschieden met verzendingsbiljetton. Art. 2, eerste lid, alsvoren.

De Inspecteurs kunnen, ieder voor zooveel zijn inspectie betreft, aan neringdoenden, op hun verzoek tot wederopzeggens vergunnen om voor hoeveelheden suiker (waaronder kandij) of geraffineerd zout tien kgr.< niet te boven gaande, alsmede voor hoeveelheden wijn, veertig hter niet te boven gaande, zelve de geleibiljetten tot vervoer naar het pand van den ontbieder af te geven. Art. 3' eerste lid, alsvoren.

(a) En aan houders van een inrichting tot zoutontginning door het uitloogen van steenzoutlagen- Kon. besluit V. e. V. no. 1216, art. 5.

17. Bij res. V. v. V. no. 1698, § 1, lett. s, in verband met res. V. v. V. no. 2166, zijn de Inspecteurs, ieder voor den kring zijner inspectie, gemachtigd om te beschikken op de adressen van belanghebbenden, betreffende de afgifte van geleibiljetten totvervoer van accijnsgoederen (a—b).

(a) Bedoeld wordt het afgeven van geleibiljetten voor accijnsgoederen, waarvoor bewijzen van inslag moeten worden vertoond, die door bijzondere redenen niet te produceeren zijn. Weekblad no. 1730.

Zie de res. V. 1828, nos. 91 en 167, V. 1835, no. 162 en V. 1838, no. 42, § 37. Verg. mede het Kon. besluit van 28 Nov. 1900, S. no.207, in aant. 2 op art. 168 hierna.

(b) Ook kan machtiging verleend worden tot afgifte van een geleibiljet voor het verdere vervoer van gedistilleerd, indien na den uitslag het oorspronkelijk afgegeven vervoerbiljet, Ace. no. 9a, in het ongereede mocht zijn geraakt. Res. 27 Mei 1916, no. 21.

Zie art. 91 der GedistiUeerdwet.

18. Zie de artt. 167 en 168.

19. Accijnsgoederen, die op geleibiljet worden vervoerd, mogen in geen geval elders dan ter plaatse op het geleibiljet aangewezen, en dus nergens anders, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, worden gelost en ingeslagen, en alzoo moet, bij vervoer dier goederen, wanneer dezelve naar meer dan een plaats of voor verschillende personen in een en dezelfde plaats zijn bestemd, voor elke te lossen partij of gedeelte der lading een afzonderlijk geleibiljet ter plaatse van den uitslag of afvoer worden genomen, ten einde dezelve daarmede te dekken tot de wezenlijke plaats van den inslag. Res. V. 1825, no. 97.

20. Geleibiljetten, welke niet op de aangewezene posten en kantoren zijn afgeteekend, zullen tot het vervoer en justificatie krachteloos zijn. Art. 169.

21. Binnenlandsch vervoer, zonder document, van accijnsgoed op de eerste linie landzijde wordt gestraft volgens art. 205, in verband met art. 219. Art. 166 ziet niet op de linie zeezijde. Daar "geldt dus bij ongedekt vervoer de strafbepaling der bijzondere wet, tenzij deze bepaald mocht