is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

96

déclaratif, niet translatif de proprieté, door onze wetgeving, in strijd met de beschouwing der Romeinen, van de Franschen overgenomen.1 Wordt dus aan den hypotheekgever slechts roerend goed of een som geld toebedeeld, dan vervalt de hypotheek. Dit geschiedt dan echter niet krachtens de bepaling van art. 1215 B. W., zooals wel door sommigen wordt beweerd,2 maar omdat het voorwerp der hypotheek, het onverdeeld aandeel, heeft opgehouden te bestaan en daarvoor niets in de plaats is gekomen, wat voor hypotheek vatbaar is. Wordt daarentegen aan den hypotheekgever het geheele onroerend goed toebedeeld, dan blijft dit goed uitsluitend voor zoodanig deel bezwaard, als waarvoor de hypotheek was verleend. Zoo zegt ook Diephuis3 „aan hetgeen later is geschied heeft de wet niet het gevolg verbonden, dat de slechts op een aandeel in het goed verleende last tot het geheel zou worden uitgebreid". Deze opvatting is rationeel, daar anders de hypotheek door een res inter alios acta zou worden vergroot.*

In denzelfden zin besliste ook de Rechtbank te Leeuwarden,5 „dat toch eene hypotheek gevestigd blijft alleen op het oorspronkelijk bezwaarde goed en enkel art. 1211 B.W. eene uitbreiding van hypotheek zonder nieuwe vestiging regelt, doch zulks niet bepaald is in gemeld art. 1212, daar dit enkel bepaalt, dat de hypotheek gevestigd blijft op dat deel, hetwelk aan den schuldenaar, die de onderzetting heeft verleend, is toebedeeld, waaraan niet de beteekenis kan worden gehecht, dat de hypotheek in dat geval zou worden uitgebreid, buiten haar oorspronkelijk verband in strijd met de bepalingen der wet, die eene bizondere opgave van het bezwaarde goed bij de vestiging voorschrijven".

Verkrijgt tenslotte de hypotheekgever slechts een gedeelte van het bezwaarde goed, dan blijft de hypotheek slechts op dat gedeelte gevestigd en kunnen de overige deelgenooten de doorhaling der hypotheek op het restant vorderen.

Het geval kan zich voordoen dat iemand, denkende de

1 Art. 883 CC.

2 Immers de voorwaarde moet zijn necessaria, niet voluntaria. » Dl. VII, blz. 408.

* Zie ook Mr. C. v. d. Lee, blz. 21.

8 7 Jan. 1897, W. N. R. 1425.