is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

201

behoort te kunnen aanspraak maken". Dat deze meening der Regeering niet door een ieder werd gedeeld, bewijst wel de verzuchting van den heer Kniphorst, geslaakt in de vergadering van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 21 April 1834: „Wat zal een' onverlaat beletten om, als wraakoefening tegen zijn partij, inschrijving te nemen en dezelve daardoor in haar crediet en in het overdragen van goed te belemmeren, wanneer hij niet gehouden is, bij de inschrijving den titel te vertoonen?"

In de derde plaats bepaalt art. 1231, dat de borderellen moeten bevatten: het beloop der inschuld, of de begrooting der voorwaardelijke en onbepaalde rechten, welke verzekerd moeten worden, mitsgaders den tijd, waarop de schuld opeischbaar is. Gelijk in de akte, voorgeschreven in art. 1221 B. W., zal dus het beloop der inschuld of de begrooting der geschatte waarde in de borderellen moeten worden opgenomen.

Indien bij de akte renten zijn bedongen, zal, hoewel de wet hier alleen spreekt van het bedrag en niet van den aard der inschuld, zulks eveneens 'in de borderellen moeten worden vermeld.1 Gelet op de bepaling van art. 1229 B.W. is het duidelijk, dat derden hierbij belang hebben. Tevens zal in het borderel moeten worden opgenomen de begrooting van boete, extra rente voor vervroegde aflossing, kosten, enz., welke ingevolge art. 1229* ook in de akte moet worden vastgesteld. Voorts moet worden opgenomen de tijd, waarop de schuld opeischbaar is. Dit is natuurlijk evenzeer van belang voor derden, daar gelijk Opzoomer" opmerkt, de bepaling van art. 2184 C. C., in ons wetboek niet wordt gevonden. De kooper van het met hypotheek belaste goed kan dus nooit vóór den dag der opeischbaarheid lastig worden gevallen, en het is daarom voor hem van het grootste belang den toestand nauwkeurig te kennen, en te weten na verloop van welken termijn hij aan eenig gevaar is blootgesteld. Indien geen tijd voor de terugbetaling is opgenomen, kan ingevolge art. 1797 B.W.

1 Zie Diephuis VII, 436

2 Zie ook de bespreking van art. 1229 B. W. * IV, 644.