is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236

een van de grootboeken der nationale werkelijke schuld ter zijner keuze wordt gesteld; is de hypotheek tot zekerheid van altijddurende renten gesteld, zoo heeft de hypotheekhouder recht op het twintigvoud der jaarlijksche rente. Bij berekening der schadeloosstelling zal acht worden g&geven op de mindere waarde, welke voor het niet onteigende het noodzakelijke gevolg van de onteigening is (art. 41).* Wordt slechts een gedeelte onteigend, zoo heeft de hypotheekhouder slechts recht op gedeeltelijke aflossing (art. 43), wanneer tenminste de schadevergoeding ontoereikend is om de geheele schuld af te lossen. Is dit toch wel het geval, zoo behoeft de hypotheekhouder niet met gedeeltelijke aflossing genoegen te nemen. In dien zin besliste ook de H. R. bij arrest van 10 Juni 1864" „dat in verband met de eerste zinsnede van art. 43 bij de tweede zinsnede is bepaald, dat bij onteigening van slechts een gedeelte van het verhypothekeerde goed de hypotheekhouder geen regt heeft de betaling zijner geheele schuldvordering te eischen, dat is: het daaraan ontbrekende deel terstond op te vorderen, en den onteigende te noodzaken het overige dadelijk uit eigen middelen af te lossen; en dat dit medebrengt, dat de bedoeling dier tweede zinsnede niet is, om bij onteigening van een gedeelte van het verhypothekeerde goed, ook dan wanneer de als schadevergoeding toegekende som toereikend is om hem geheel te voldoen, den eersten hypotheekhouder te noodzaken zich met een evenredig deel te vergenoegen en het overige aan de latere hypothecaire crediteuren over te laten".

Intusschen moet de hypotheekhouder zelf maar zien op welke wijze hij zijne aflossing van den onteigende in handen

1 Bij de behandeling zeide de Min. van Binnenl. Zaken: „Ik geloof niet, dat in deze bepaling der wet begrepen is de man, wiens goed in het geheel niet wordt onteigend, maar wiens goed, tengevolge van onteigening ten algemeenen nutte, verminderd is in waarde. Maar zoo hij daarom wenscht eene bijzondere schadeloosstelling te erlangen, hij doe zich op in het geding en zie hoe ver hij het volgens deze wet brengen kan." De H. R. besliste bij arrest van 27 Juli 1852 (W. 2595) „dat het zeker niet in de bedoeling van art. 41 is gelegen om daar te boven als schadevergoeding toe te kennen de mogelijke en onzekere waarde welke het niet-onteigende bij verandering of verbetering in het vervolg zoude kunnen verkrijgen."

2 W. 2595.