is toegevoegd aan je favorieten.

Het nieuwe zeerecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reis" bevorens als officier te hebben gedaan, d. w. z. natuurhjk de oorspronkelijk ondernomen reis (art. 409).

Den kapitein moet in de monsterrol de bevoegdheid worden voorbehouden om voor het vertrek zonder loon af te danken en van boord te sturen eiken schepeling, die zich in een hoedanigheid heeft doen aannemen, waartoe hij niet de noodige bekwaamheid bezit, en om, indien die onbekwaamheid eerst onderweg wordt ontdekt, dien schepehng in rang te verlagen en in loon achteruit te zetten (art. 397, 70). Deze bepaling is algemeen en slaat dus ook weer op den stuurman, die zich valschehjk als bevaren opgeeft. Heeft de schepeling zich ten onrechte als voldoende bevaren opgegeven dan brengt dit voor hem het gevolg mee, dat hij gehouden wordt „tot vergoeding van alle schaden, welke zelfs door onkunde in het uitvoeren van (zijn) dienst ontstaan" (art. 405). Aangezien hier, anders dan in art. 406, van geen lading wordt gerept, zal moeten worden aangenomen, dat art. 405 alleen doelt op een recht op schadevergoeding uit overeenkomst, den in dwaling verkeerenden reeder toegekend ; niet op een schadevergoedingsverphchting van den schepehng tegenover een derde, b.v. een ladingeigenaar.

De monsterrol moet een omschrijving bevatten van het voedsel „of zoogenaamd rantsoen", hetwelk in gewone omstandigheden1 aan een ieder wekelijks moet worden gegeven (art. 397, 8°) Behoorlijk levensonderhoud vordert de wet voor den schepehng op (art. 403). In de tuchtwet (art. 20) staat ruimer nog voorgeschreven, dat de monsterrol behalve de loonsbepaling een omschrijving van de voeding, de ruimte tot hgging en verbhjf en een betamehjke behandeling der schepelingen moet inhouden. Indien een derde deel der bemanning over voedsel, hgging of ruimte bij den Nederlandschen consul of in Nederlandsch-Indië, Suriname en Curacao bij de „plaatselijke autoriteit" klaagt, wordt een onderzoek ingesteld. Ondeugdelijke spijs moet de kapitein dan voor deugdehjke verwisselen en het ontbrekende moet bij zich aanschaffen (art. 23), terwijl, wat hgging en ruimte betreft, de consul of de ingeroepen autoriteit den kapitein zekere verbete-

1 Zie echter art. 358 ; hierboven blz. 140. Is verder inhouding noodzakelijk dan mag de kapitein daartoe natuurlijk overgaan, maar den schepeling wordt dan een recht op een evenredige loonsverhooging toegekend (art. 22 der tuchtwet).

202