is toegevoegd aan je favorieten.

De gemeentefinanciën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FINANCIEEL BEHEER GEMEENTE EN VOLKSHUISVESTING

191

m. dat ingeval van niet-naleving dezer voorwaarden het bestuur der vereeniging zal verbeuren een geldsom van ƒ 1000,—, waarvoor, de leden van het bestuur, ieder voor het geheel, aansprakelijk zijn, onverminderd het recht der gemeente om, zoo daartoe termen aanwezig zijn, in de plaats der geldboete schadevergoeding te eischen, voor welke vergoeding de leden van het bestuur eveneens ieder voor het geheel aansprakelijk zijn;

n. dat overigens zullen gelden de voorwaarden bedoeld in art. 19, litt. b, d en e, van het woningbesluit *) en voorts zoodanige voorwaarden als gewoonlijk bij leeningen onder hypothecair verband worden gesteld.

De woningnoodwet 1918 (S. 379) had tot doel in den nijpenden Noodwoningnood te voorzien door den bouw van noodwoningen, welke v">nm^enin korten tijd konden worden gesticht en weinig kostbaar waren. De gemeenten konden met steun van het rijk vrijwillig tot den bouw van die woningen overgaan; zij konden daartoe ook bij koninklijk besluit worden gedwongen. De bedoeling was, dat de woningen slechts tijdelijk als zoodanig zouden worden gebruikt; de bewoning moest na vijf jaren ophouden, tenzij door de Kroon, telkens voor den tijd van een jaar, voortzetting der bewoning werd toegestaan. De Kroon heeft van deze bevoegdheid in verschillende gevallen gebruik gemaakt.

In de kosten van aankoop of onteigening en van het gereedmaken van den grond en van het oprichten der woningen werd uit 's rijks kas 90 % bijgedragen; bet overige deel der kosten werd aangemerkt als een verplichte uitgaaf der gemeente. Men' is bij dezen opzet van de gedachte uitgegaan, dat voor den bouw van deze woningen geen leening zou worden aangegaan.

Van de exploitatie der met rijksbijdrage gebouwde noodwoningen moet een afzonderlijke rekening worden opgemaakt. Deze moet telken jare, binnen drie maanden na afloop van het dienstjaar, aan den minister van sociale zaken worden toegezonden. De minister stelt het saldo der rekening vast; van een batig saldo moet 90 % in 's rijks kas worden gestort. Daar de gemeente en het rijk het bedrag der stichtings kosten van de woningen k fonds perdu hebben

l) Koninklijk besluit van 11 Januari 1932. S. 7.