Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

aardige tuintjes. Sommige waren heel mooi onderhouden, en overal zag je perken met warm-kleurige bloemen.

In één van de tuintjes was een klein prieeltje. En daarvoor een mooi, groot bloembed, met helroode geraniums.

„Verbeeld je," fantaseerde Wim, „dat die bloemen nu eens visschen waren en dat tuintje water."

Hij stak z'n hengel uit over het hekje, tot boven het bloembed.

„Nou — hap nou maar toe."

Plots kwam er beweging in het priëeltje. Een oud heertje keek angstig-onderzoekend om het hoekje. Hij had een luchtig lustre jasje aan, natuurlijk voor de warmte. En op z'n hoofd een klein rond kalotje, waaronder een gerimpeld gezicht, met heel ouderwetsche bakkebaardjes, heelemaal wit.

„Net of-tie pas ingezeept is," vond Wim.

Het manneke scheen heel onrustig over z'n bloemen.

„Nou ouwe, wees maar niet bang, ik zal heus'ch je blommetjes geen kwaad doen hoor," dacht Wim en hij trok z'n hengel maar weer in.

„Vervelend, dat Jan nou niet komt."

Hij liep maar weer wat verder op. De zon stond hier pal op de huizen te branden.

En al de hekjes voor de tuinen wierpen schaduw. Ieder spijltje een schuin schaduwstreepje, net of het ribbetjes waren.

Wim speurde de straat eens in. Er liep geen mensch. Alleen een hond sjokte goedmoedig verder.

Sluiten